ECLI:NL:RBNNE:2026:3108

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
LEE 26/2073
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogenParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen afwijzing WIA-uitkering wegens ontbreken spoedeisend belang

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Nederland heeft op 2 juli 2026 uitspraak gedaan over het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een WIA-uitkering door het UWV. Verzoeker stelde dat hij geen inkomen meer ontvangt en daardoor zijn vaste lasten niet kan betalen, en dat zijn partner onvoldoende financiële draagkracht heeft vanwege bewindvoering.

De voorzieningenrechter overwoog dat een voorlopige voorziening alleen kan worden getroffen bij onverwijlde spoed, waarbij sprake moet zijn van een financiële noodsituatie die niet op andere wijze kan worden opgelost. De rechter stelde vast dat verzoeker niet heeft aangetoond dat hij geen recht heeft op een bijstandsuitkering en dat hij nog geen aanvraag daarvoor heeft ingediend. Ook kan hij bij acute nood een voorschot op bijstand aanvragen bij de gemeente.

Verder vond de voorzieningenrechter de onderbouwing van het inkomen van de partner onvoldoende om het ontbreken van een spoedeisend belang aan te nemen. Ook het beroep op erkenning als gedupeerde van de toeslagenaffaire en de gezondheidssituatie van verzoeker rechtvaardigen volgens de rechter geen oordeel dat het besluit evident onrechtmatig is.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de WIA-uitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/2073
uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 juli 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam uit plaats] , verzoeker,

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekering, het Uwv.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (de Wet WIA). Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2.
Het Uwv heeft de aanvraag van verzoeker van 18 december 2025 met het besluit van 27 mei 2026 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Hierbij heeft verzoeker ook een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Een spoedeisend belang wordt aanwezig geacht indien als gevolg van het bestreden besluit een (financiële) noodsituatie of een onomkeerbare situatie ontstaat die niet op andere wijze is op te heffen. Daarbij is uitgangspunt dat de Participatiewet (de PW) een vangnet biedt waarmee in beginsel in alle gevallen een minimaal noodzakelijk inkomen is gewaarborgd.
3. Verzoeker betoogt dat hij geen betalingsmogelijkheden meer heeft om zijn vaste lasten, waaronder de huur, te kunnen betalen doordat het Uwv de voorschotten WIA niet meer uitbetaald. Hierbij heeft verzoeker aangegeven dat hij woonachtig is bij zijn vriendin maar dat ook zij zijn kosten niet kan dragen.
3.1.
Bij brief van 26 juni 2026 heeft de voorzieningenrechter verzoeker gevraagd om het spoedeisend belang nader te onderbouwen, mede gelet op de mogelijkheden die in de PW zijn opgenomen.
3.2.
Op 29 juni 2026 heeft verzoeker een nadere toelichting gegeven. Verzoeker betoogt – onder meer en samengevat – dat hij vanaf april al geen inkomen meer krijgt vanuit het Uwv. Daarnaast heeft verzoeker aangegeven dat hij geen recht heeft op een uitkering op grond van de PW omdat zijn partner inkomen heeft. Hierbij heeft verzoeker betoogt dat zijn partner onder bewind staat en dat zij haar eigen financiën dus niet in beheer heeft en dat haar inkomen niet hoog genoeg is om ook zijn vaste lasten te kunnen betalen. Ten slotte heeft verzoeker aangegeven dat hij erkend gedupeerde is van de toeslagaffaire en dat hij daardoor schuldenvrij is. Wel vreest hij voor nieuwe schulden.
4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het betoog van verzoeker onvoldoende grond oplevert voor het oordeel dat sprake is van de in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb bedoelde ‘onverwijlde spoed’. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat het gegeven dat verzoeker momenteel geen WIA-uitkering ontvangt niet noodzakelijkerwijs leidt tot een financiële noodsituatie die niet op andere wijze is op te lossen. Hierbij betrekt de voorzieningenrechter dat niet is komen vast te staan dat verzoeker geen recht heeft op een bijstandsuitkering. Niet gebleken is dat verzoeker hiertoe al een aanvraag heeft ingediend. Dat de aanvraag naar gesteld geen kans van slagen heeft, is niet gebleken. Verder kan verzoeker, ingeval van een acute financiële noodsituatie, bij de gemeente vragen om een voorschot op een bijstandsuitkering, om zo in zijn eerste levensbehoeften te voorzien. Ook voor het door verzoeker gestelde omtrent het inkomen van zijn partner heeft de voorzieningenrechter geen nadere onderbouwing gezien. Het ligt naar het oordeel van de voorzieningenrechter nog steeds op de weg van verzoeker om een beroep te doen op de PW (als voorliggende voorziening).
5. Ondanks hetgeen hiervoor is opgemerkt, zou het verzoek kunnen worden toegewezen indien het besluit van 27 mei 2026 als een evident onrechtmatig besluit moet worden beschouwd. In hetgeen verzoeker heeft aangevoerd over zijn gezondheid en klachten ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding het besluit als evident onrechtmatig te beschouwen.

Conclusie en gevolgen

6. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.I. Havinga, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.