ECLI:NL:RBNNE:2026:3109

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
LEE 26/2044
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:83 AwbParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens niet tijdig betalen griffierecht

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Nederland heeft op 21 juli 2026 uitspraak gedaan over een verzoek om voorlopige voorziening van verzoeker tegen de toekenning van een uitkering op grond van de Participatiewet door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Súdwest-Fryslân.

Het verzoek is ingediend nadat het college de bijstandsuitkering op 2 juni 2026 had toegekend en verzoeker hiertegen bezwaar had gemaakt. De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting omdat het kennelijk niet-ontvankelijk was wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht van €54,-.

De griffier had verzoeker per aangetekende brief op 26 juni 2026 in de gelegenheid gesteld het griffierecht binnen twee weken te betalen. De brief werd op 30 juni 2026 bezorgd, maar verzoeker betaalde het griffierecht niet binnen de gestelde termijn en gaf geen verontschuldigbare reden voor het verzuim.

Daarom verklaarde de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk en werd het verzoek niet inhoudelijk beoordeeld. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdig betalen van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/2044
uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 juli 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam uit plaats] , verzoeker,

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Súdwest-Fryslân, het college.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de toekenning van de aanvraag van verzoeker om een uitkering op grond van de Participatiewet (de Pw). Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
1.2.
Het college heeft verzoekers aanvraag om een bijstandsuitkering met het besluit van 2 juni 2026 toegewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader
2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. [1] In een zaak als deze is het griffierecht € 54,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
Heeft verzoeker het griffierecht tijdig betaald?
2.1.
De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 26 juni 2026 verzoeker in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 30 juni 2026 om 11:58 uur is bezorgd en dat voor ontvangst is getekend. Verzoeker heeft het griffierecht niet op tijd betaald.
Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?
2.2.
Verzoeker heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Zodoende is niet gebleken dat dit verzuim verschoonbaar is.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.I. Havinga, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit is geregeld in artikel 8:82 van Pro de Awb in samenhang met artikel 8:41 van Pro de Awb.