ECLI:NL:RBNNE:2026:378

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
LEE 23/5413
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992Art. 10, achtste lid, Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992Art. 2, aanhef en onderdeel d, Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992Art. 13a, vijfde lid, Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992Art. 1, derde lid, Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Naheffingsaanslag BPM voor twee auto’s bevestigd ondanks betwisting taxatiemethode

Eiseres B.V. maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag BPM opgelegd door de inspecteur voor twee auto’s: een BMW 3-serie Touring en een Volkswagen Caddy. De aanslag werd gebaseerd op taxatierapporten waarbij de afschrijving werd berekend zonder rekening te houden met meer dan normale gebruiksschade. Eiseres betwistte dit en stelde dat er sprake was van extra waardevermindering door schade en andere factoren.

De rechtbank oordeelde dat de taxatiemethode slechts mag worden toegepast bij meer dan normale gebruiksschade, welke is gedefinieerd als slijtage en kleine beschadigingen passend bij leeftijd en kilometrage. Voor beide auto’s concludeerde de rechtbank dat de schade niet meer dan normaal was. Bij de BMW waren de beschadigingen minimaal en passend bij de leeftijd en kilometerstand. Bij de Volkswagen waren de vermeende gebreken het gevolg van de ombouw van bestelauto naar personenauto en geen gebruiksschade.

De rechtbank wees het beroep af en handhaafde de naheffingsaanslag. Wel werd eiseres een vergoeding van immateriële schade toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van bijna vier jaar tussen bezwaar en uitspraak. De vergoeding bedroeg € 6.000, verdeeld over inspecteur en Minister. Daarnaast werd een proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak werd gedaan door rechter Hennevelt op 29 januari 2026.

Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt gehandhaafd; eiseres krijgt een vergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 23/5413
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 29 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. P.A.J.M. Lodestijn),
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen/kantoor Breda, de inspecteur.
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:
de Minister van Justitie en Veiligheid, de Minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 12 december 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan eiseres met dagtekening 9 april 2021 een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) van € 2.634 opgelegd.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en namens de inspecteur mr. [naam 1] en [naam 2] .

Feiten

2.
2.1.
De naheffingsaanslag heeft betrekking op twee auto’s, te weten voor € 825 op een BMW 3-serie Touring (de BMW) en voor € 1.809 op een Volkswagen Caddy (de Volkswagen), hierna tezamen ook: de auto’s.
De BMW
2.2.
Eiseres is vergunninghouder als bedoeld in artikel 8 van Pro de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (Wet Bpm) en heeft in dat kader met dagtekening 6 november 2020 melding van Bpm gedaan voor de BMW. De datum eerste toelating van de BMW is 13 januari 2020.
2.3.
Eiseres heeft de Bpm berekend aan de hand van een taxatierapport van [taxateur] met datum 5 november 2020. Daarbij is uitgegaan van een kilometerstand van 22.379. De volgens de melding verschuldigde Bpm van € 2.387 is berekend op basis van een historische nieuwprijs van € 71.103 en een handelsinkoopwaarde van € 23.639. Die handelsinkoopwaarde is berekend door een bedrag van € 8.299 in mindering te brengen op de handelsinkoopwaarde volgens een XRAY koerslijst van € 31.938. De waardevermindering van € 8.299 bestaat uit een aftrek van € 5.999 wegens schade, een aftrek van € 2.500 in verband met ‘geen oordeel’ over de kilometerstand en een bijtelling van € 200 voor ‘correctie conform XRAY Matrix’.
2.4.
Hoewel daartoe uitgenodigd, heeft eiseres de BMW niet getoond aan DRZ. DRZ heeft niettemin de getrouwheid van de taxatie van de BMW onderzocht en een rapport opgemaakt met datum 17 november 2020. Het rapport van DRZ vermeldt een historische nieuwprijs van € 69.669 en een handelsinkoopwaarde op basis van een XRAY Rental koerslijst van € 31.165. Bij het bepalen van de afschrijving heeft DRZ geen schade of andere waardeverminderende factoren in aanmerking genomen.
2.5.
De inspecteur heeft op basis van de bevindingen van DRZ (2.4.) Bpm nageheven.
De Volkswagen
2.6.
De Volkswagen is in 2016 door eiseres gekocht en aanvankelijk door haar gebruikt als bestelauto in het kader van haar onderneming als bedoeld in artikel 13a van de Wet Bpm.
2.7.
Eiseres heeft als vergunninghouder als bedoeld in artikel 8 van Pro de Wet Bpm met dagtekening 5 januari 2021 melding van Bpm gedaan voor de Volkswagen. Eiseres heeft de Volkswagen daarbij aangemerkt als personenauto. De datum eerste toelating van de Volkswagen is 19 mei 2016. De voltooiing van de registratie als personenauto waarvoor de melding is gedaan heeft plaatsgevonden op 27 januari 2021.
2.8.
De Bpm heeft eiseres berekend aan de hand van een taxatierapport van [taxateur] met datum 28 december 2020. Daarbij is uitgegaan van een kilometerstand van 86.740. De volgens de melding verschuldigde Bpm van € 269 is berekend op basis van een historische nieuwprijs van € 41.700 en een handelsinkoopwaarde van € 1.028. Die handelsinkoopwaarde is berekend door een bedrag van € 9.498 in mindering te brengen op de handelsinkoopwaarde volgens een XRAY koerslijst van € 10.526. De waardevermindering van € 9.498 bestaat uit een aftrek van € 7.998 wegens schade, een aftrek van € 2.000 in verband met ‘geen oordeel’ over de kilometerstand en een bijtelling van € 500 voor ‘correctie conform XRAY Matrix’.
2.9.
Hoewel daartoe uitgenodigd, heeft eiseres de Volkswagen niet getoond aan DRZ. DRZ heeft niettemin de getrouwheid van de taxatie van de Volkswagen onderzocht en een rapport opgemaakt met als datum van ondertekening 15 januari 2021. Het rapport van DRZ vermeldt een historische nieuwprijs van € 42.272 en een handelsinkoopwaarde op basis van een XRAY koerslijst van € 8.139. Bij het bepalen van de afschrijving heeft DRZ geen schade of andere waardeverminderende factoren in aanmerking genomen.
2.10.
De inspecteur heeft op basis van de bevindingen van DRZ (2.9.) en rekening houdend met extra leeftijdskorting Bpm nageheven.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. Meer specifiek is in geschil of de inspecteur bij de bepaling van de afschrijving de handelsinkoopwaarde van de auto’s juist heeft vastgesteld door geen rekening te houden met waardevermindering door schade en andere factoren.
4. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag aan eiseres opgelegd
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Juridisch kader
5. De rechtbank stelt voorop dat de taxatiemethode op grond van artikel 10, achtste lid, van de Wet Bpm slechts mag worden toegepast indien, voor zover hier van belang, sprake is van een auto die ten tijde van het belastbare feit meer dan normale gebruiksschade heeft. Onder normale gebruiksschade wordt op grond van artikel 2, aanhef en onderdeel d, van de Wet Bpm verstaan: slijtage en kleine beschadigingen die ontstaan door gebruik van een voertuig en die passen bij de leeftijd en kilometrage van het voertuig. De belastingplichtige die zich beroept op de taxatiemethode moet, in geval van gemotiveerde betwisting door de inspecteur, de feiten aannemelijk maken die meebrengen dat die methode in haar geval mag worden toegepast. [1]
De BMW
Standpunten van partijen
6. Eiseres bestrijdt niet dat DRZ terecht is uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 69.669 en een handelsinkoopwaarde vóór eventuele correctie vanwege schade en andere waardeverminderende factoren van € 31.165. Verder heeft eiseres op de zitting haar standpunt dat een (aanvullende) aftrek van € 650 in verband met het verhuurverleden van de BMW moet plaatsvinden, uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken.
7. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de inspecteur ten onrechte geen bedrag aan meer dan normale gebruiksschade in aanmerking heeft genomen. Deze schade bedraagt volgens eiseres € 5.349. Onder deze schade valt volgens eiseres ook het ontbreken van een Nederlandstalig boekenpakket. Daarnaast is eiseres van mening dat een waardevermindering van € 2.500 wegens ‘geen oordeel’ over de kilometerstand mag worden toegepast.
8. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de taxatiemethode niet mag worden gebruikt omdat, kort gezegd, (i) het taxatierapport van eiseres niet voldoet aan de daarvoor geldende voorwaarden en (ii) geen sprake is van meer dan normale gebruiksschade. De inspecteur heeft verder betwist dat sprake is van waardevermindering als gevolg van het ontbreken van een Nederlandstalig boekenpakket of vanwege ‘geen oordeel’ over de kilometerstand.
Vermindering op basis van de taxatiemethode?
9. De rechtbank acht niet aannemelijk dat de BMW ten tijde van het belastbare feit meer dan normale gebruiksschade had. Dat oordeel baseert de rechtbank op de foto’s in het taxatierapport van eiseres. De beschadigingen die op deze foto’s te zien zijn, moeten naar het oordeel van de rechtbank worden beschouwd als gebruiksschade die past bij de leeftijd van de BMW (ongeveer 10 maanden) en de kilometerstand (22.379). Daarbij overweegt de rechtbank dat de BMW weliswaar jong is en weinig kilometers op de teller heeft, maar dat de gestelde beschadigingen zelfs op de sterk ingezoomde foto’s in het taxatierapport maar minimaal zichtbaar zijn. Op de overzichtsfoto’s zijn deze beschadigingen in het geheel niet te zien. De rechtbank kan dan ook niet méér constateren dan enkele krasjes en deukjes die ook bij een jonge auto met ruim 20.000 gereden kilometers, zoals deze BMW, passend zijn. De rechtbank overweegt tot slot dat het ontbreken van een Nederlandstalig (onderhouds)boekenpakket als zodanig niet is aan te merken als schade. [2]
10. Gelet op wat in 9. is overwogen, kan de taxatiemethode niet worden toegepast. Aan de behandeling van de beroepsgrond inzake eventuele waardevermindering wegens ‘geen oordeel’ over de kilometerstand, komt de rechtbank daarom niet toe. Dat geldt ook voor de vraag of het taxatierapport van eiseres voldoet aan de daarvoor geldende voorwaarden. De conclusie is dat de inspecteur de naheffingsaanslag voor wat betreft de BMW niet te hoog heeft vastgesteld, omdat deze naheffingsaanslag voor de berekening van de afschrijving uitgaat van (alleen) de koerslijstwaarde.
De Volkswagen
Standpunten van partijen
11. De rechtbank overweegt vooraf dat het hier gaat om een gewijzigde inschrijving als bedoeld in artikel 13a, vijfde lid, in verbinding met artikel 1, derde lid, van de Wet Bpm. Bepalend voor de heffing van Bpm is dan de registratie als personenauto op 27 januari 2021 (zie 2.7).
12. Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat de historische nieuwprijs € 42.272 bedraagt en dat de handelsinkoopwaarde vóór eventuele correctie vanwege schade en andere waardeverminderende factoren op basis van een koerslijst van XRAY € 8.139 bedraagt.
13. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de inspecteur ten onrechte geen bedrag aan meer dan normale gebruiksschade in aanmerking heeft genomen. Volgens eiseres bedraagt deze schade € 7.998. Onder deze schade vallen volgens eiseres ook ‘gebreken’ die op het moment van het belastbare feit nog bestaan omdat de ombouw van de Volkswagen van bestelauto naar personenauto (zie 2.6 en 2.7) op dat moment nog niet was voltooid. Het gaat daarbij onder andere om het ontbreken van een achterbank, veiligheidsgordels en vloerbedekking achter. Ook moesten het tussenschot en de houten laadvloer op dat moment nog worden verwijderd. Daarnaast is eiseres van mening dat een waardevermindering van € 2.500 wegens ‘geen oordeel’ over de kilometerstand mag worden toegepast.
14. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de taxatiemethode niet mag worden gebruikt omdat, kort gezegd, (i) het taxatierapport van eiseres niet voldoet aan de daarvoor geldende voorwaarden en (ii) geen sprake is van meer dan normale gebruiksschade. De inspecteur heeft verder betwist dat sprake is van waardevermindering vanwege ‘geen oordeel’ over de kilometerstand.
Vermindering op basis van de taxatiemethode?
15. Partijen hebben op de zitting gezamenlijk verklaard dat de in 12. bedoelde koerslijst ziet op de inkoop van Volkswagen Caddy’s die niet (meer) zijn ingericht als bestelauto in de zin van artikel 3, derde lid, van de Wet Bpm en waarvan (dus) de eventuele ombouw naar personenauto (zoals bedoeld in 13.) is voltooid. Gelet op dit uitgangspunt overweegt de rechtbank dat de in 13. bedoelde ‘gebreken’ moeten worden aangemerkt als eigenschappen die de gebruikte personenauto’s waarop de koerslijstwaarde is gebaseerd, niet hebben. [3] De vraag die partijen verdeeld houdt, is of deze gebreken moeten worden aangemerkt als meer dan normale gebruiksschade, dan wel als een andersoortig waardeverminderend kenmerk, niet zijnde schade. Alleen in het eerste geval kunnen deze gebreken op zichzelf het oordeel rechtvaardigen dat de taxatiemethode mag worden toegepast.
16. Met betrekking tot deze vraag stelt de rechtbank voorop dat artikel 2, aanhef en onderdeel d, van de Wet Bpm een definitie van ‘normale gebruiksschade’ bevat, namelijk: ‘slijtage en kleine beschadigingen die ontstaan door gebruik van een voertuig en die passen bij de leeftijd en kilometrage van het voertuig’. De Wet Bpm definieert evenwel niet wanneer sprake is van een ‘voertuig met
meer dannormale gebruiksschade’. Ook in de parlementaire toelichting op artikel 10, achtste lid, van de Wet Bpm is het begrip ‘voertuig met meer dan normale gebruiksschade’ niet nader ingevuld. In antwoord op een vraag uit het parlement over dit begrip heeft het kabinet wel verwezen naar de definitie van normale gebruiksschade in artikel 2, aanhef en onderdeel d, van de Wet Bpm. [4] Uit de wetsgeschiedenis kan verder worden afgeleid dat dit begrip in de Wet Bpm is opgenomen om misbruik te bestrijden door voertuigen die geen meer dan normale gebruiksschade hebben, uit te sluiten van de toepassing van de taxatiemethode. [5]
17. Van een ‘voertuig met meer dan normale gebruiksschade’ kan naar het oordeel van de rechtbank op basis van een grammaticale interpretatie alleen sprake zijn als het voertuig schade heeft die is ontstaan door gebruik van dat voertuig als zodanig. Met die uitleg wordt bovendien aangesloten bij de definitie van ‘normale gebruiksschade’ in artikel 2, aanhef en onderdeel d, van de Wet Bpm voor zover die definitie vereist dat de schade is ontstaan door gebruik van het voertuig. Mede gelet op de wetsgeschiedenis gaat de rechtbank ervan uit dat de wetgever eenheid heeft beoogd tussen het begrip ‘gebruiksschade’ in artikel 2, aanhef en onderdeel d, van de Wet Bpm en datzelfde begrip in artikel 10, achtste lid, van de Wet Bpm en slechts onderscheidend heeft willen laten zijn of de gebruiksschade al dan niet past bij de leeftijd en kilometrage van het voertuig.
18. In het licht van wat in 17. is overwogen, kan het ontbreken van een achterbank, veiligheidsgordels en vloerbedekking achter in de Volkswagen niet worden aangemerkt als meer dan normale gebruiksschade. Hetzelfde geldt voor de aanwezigheid van het tussenschot en de houten laadvloer. Deze gebreken moeten namelijk worden aangemerkt als veranderingen aan het voertuig die tot stand zijn gekomen met de bedoeling dat voertuig tot bestelauto te maken. Deze gebreken zijn niet ontstaan door gebruik van het voertuig van eiseres als zodanig.
19. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat (overigens) sprake is van meer dan normale gebruiksschade in de vorm van lakschade, deuken, overmatige steenslag, krassen of roestvorming. De beschadigingen die op de foto’s in het taxatierapport van eiseres zijn te zien, moeten naar het oordeel van de rechtbank worden beschouwd als gebruiksschade die past bij de leeftijd van de Volkswagen (ruim 5,5 jaar) en de kilometerstand (86.740).
20. Omdat er geen sprake is van meer dan normale gebruiksschade, kan de afschrijving niet aan de hand van de taxatiewaarde worden bepaald. Voor de goede orde merkt de rechtbank op dat als er wél sprake zou zijn geweest van meer dan normale gebruiksschade, de onder 18. genoemde kenmerken wellicht wel als waardeverminderende factoren in aanmerking zouden zijn gekomen. Hier wordt echter de drempel voor de toepassing van de taxatiemethode niet gehaald en is er dus ook geen grond om andersoortige waardeverminderingen mee te nemen.
21. Gelet op wat in 18. en 19. is overwogen en omdat tussen partijen niet in geschil is dat de Volkswagen voorkomt op een koerslijst als bedoeld in artikel 10, achtste lid, onderdeel b, van de Wet Bpm, kan de taxatiemethode niet worden toegepast. Aan de behandeling van de beroepsgrond inzake eventuele waardevermindering wegens ‘geen oordeel’ over de kilometerstand, komt de rechtbank daarom niet toe. Dat geldt ook voor de vraag of het taxatierapport van eiseres voldoet aan de daarvoor geldende voorwaarden. De conclusie is dat de inspecteur de naheffingsaanslag ook voor wat betreft de Volkswagen niet te hoog heeft vastgesteld, omdat de naheffingsaanslag voor de berekening van de afschrijving uitgaat van (alleen) de koerslijstwaarde.
Overschrijding van de redelijke termijn
22. Eiseres heeft in de gronden van haar beroep van 10 januari 2024 verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting van de zaak in eerste aanleg.
23. De inspecteur heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag ontvangen op 26 maart 2021. Tussen de ontvangst van het bezwaar en de datum van de uitspraak van de rechtbank zijn vier jaar en afgerond elf maanden verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn is overschreden met 35 maanden. Dat is meer dan 2,5 jaar, maar minder dan drie jaar. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 3.000.
24. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan op 12 december 2023. De bezwaarfase heeft daarmee afgerond 33 maanden geduurd. Rekening houdend met het uitgangspunt dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt, is de overschrijding van de redelijke termijn voor 27 maanden toe te rekenen aan de inspecteur. De overige 8 maanden zijn toe te rekenen aan de Minister.
25. De rechtbank is tot slot van oordeel dat voor de toekenning van een vergoeding van immateriële schade sprake is van twee zaken die niet samenhangen. De omstandigheid dat sprake is van één naheffingsaanslagbiljet laat naar het oordeel van de rechtbank namelijk onverlet dat sprake is van twee zaken voor de toekenning van een vergoeding van immateriële schade; één zaak per auto. Die zaken zijn door de rechtbank weliswaar gezamenlijk behandeld, maar zij hebben in hoofdzaak niet betrekking op hetzelfde onderwerp of op voorwerpen van geschil die met elkaar samenhangen. Redengevend daarvoor is dat in beide zaken een afzonderlijke beoordeling heeft moeten plaatsvinden van de vraag of de auto’s, gelet op de feiten en omstandigheden van het individuele geval, meer dan normale gebruiksschade hebben. De rechtbank heeft daarbij voor beide auto’s verschillende feitelijke en juridische vragen moeten beantwoorden.
26. De slotsom van het voorgaande is dat eiseres recht heeft op een vergoeding van immateriële schade van € 6.000, die voor € 4.628 is toe te rekenen aan de inspecteur en voor € 1.372 aan de Minister. Gelet op de omvang van het bedrag dat door de Minister moet worden vergoed, hoeft hij niet als partij in deze procedure te worden gehoord. [6]

Conclusie en gevolgen

27. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag in stand blijft.
28. Eiseres krijgt wel een proceskostenvergoeding. Dit omdat eiseres recht heeft op een vergoeding van immateriële schade. Voor de rechtsbijstand door de gemachtigde kent de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht één punt voor het indienen van een verzoek om schadevergoeding en één punt voor het deelnemen aan de zitting toe. Het punt voor de zitting kent de rechtbank toe omdat het verzoek om schadevergoeding met (overeenkomstige) toepassing van afdeling 8.2.5 van de Algemene wet bestuursrecht op de zitting is behandeld. De rechtbank hanteert verder een waarde van € 934 per punt en een wegingsfactor 0,25 (zeer licht). [7] De proceskostenvergoeding bedraagt dus € 467. Omdat de overschrijding van de redelijke termijn aan zowel de inspecteur als de Minister is toe te rekenen, bepaalt de rechtbank dat beiden de helft van de proceskosten moeten betalen.
29. De inspecteur en de Minister moeten ook, beiden voor de helft, het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres heeft namelijk vóór 31 mei 2024 verzocht om vergoeding van immateriële schade en de redelijke termijn was ook al vóór die datum overschreden. [8]

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiseres tot een bedrag van € 4.628;
- veroordeelt de Minister tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiseres tot een bedrag van € 1.372;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht aan eiseres moet vergoeden tot een bedrag van € 182,50;
- bepaalt dat de Minister het griffierecht aan eiseres moet vergoeden tot een bedrag van € 182,50;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 233,50; en
- veroordeelt de Minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.T.M. Hennevelt, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. van der Terp, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.2.4.
2.Zie Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.4.
3.Vgl. Hoge Raad 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472, r.o. 4.2.7.
4.Vgl.
6.Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935,
7.Vgl. Hoge Raad 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:55, r.o. 9.3.
8.Zie Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.2.