AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toelating oproeping in vrijwaring van onderaannemer in aannemingsovereenkomst
In deze civiele procedure vorderen eisers betaling wegens tekortkomingen in de aanleg van een vloerverwarming door een onderaannemer, waarbij Varianthuis B.V. als hoofdaannemer aansprakelijk wordt gesteld. Eisers baseren hun vordering op de aannemingsovereenkomst en artikel 7:751 BWPro, stellende dat Varianthuis aansprakelijk blijft voor fouten van de onderaannemer.
Varianthuis verzoekt in een incident om toestemming om de onderaannemer in vrijwaring op te roepen, omdat de schade volgens een deskundigenrapport voortvloeit uit het niet of niet deugdelijk uitvoeren van het stookprotocol, een contractuele verplichting die zij heeft doorgezet naar de onderaannemer.
De rechtbank oordeelt dat Varianthuis een voldoende belang heeft bij de oproeping in vrijwaring en dat eisers hiertegen geen bezwaar hebben gemaakt. Daarom wordt de vordering tot oproeping in vrijwaring toegewezen. De proceskosten van het incident worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De hoofdzaak wordt aangehouden voor verdere behandeling.
Uitkomst: De rechtbank staat toe dat Varianthuis de onderaannemer in vrijwaring oproept en compenseert de proceskosten van het incident.
Uitspraak
RECHTBANK Noord-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Assen
Zaaknummer: C/19/153523 / HA ZA 25-152
Vonnis in incident van 21 januari 2026
in de zaak van
1.[eiser sub 1] ,
te [woonplaats] , 2. [eiser sub 2],
te [woonplaats] ,
eisende partijen in de hoofdzaak,
verwerende]partijen in het incident,
hierna samen in enkelvoud te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. P.J. van Hartingsveldt,
tegen
VARIANTHUIS B.V.,
te Nieuw-Schoonebeek,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: Varianthuis,
advocaat: mr. L. Pander.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties, ter griffie ontvangen op 24 september 2025;
- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring van 3 december 2025;
- het antwoord in incident van 17 december 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2.De vordering in de hoofdzaak
2.1.
[eisers] vordert dat Varianthuis bij vonnis - uitvoerbaar bij voorraad - zal worden veroordeeld tot:
I. betaling aan [eisers] van het bedrag van € 24.887,69, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 1 januari 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;
II. betaling aan [eisers] van het bedrag van € 2.696,76 uit hoofde van de kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid;
III. betaling aan [eisers] van de buitengerechtelijke kosten van € 1.341,69;
IV. betaling aan [eisers] van de kosten van dit geding, waaronder begrepen een salaris voor de advocaat.
2.2.
Ter onderbouwing stelt [eisers] tussen partijen een aannemingsovereenkomst tot stand is gekomen, waarbij de hoofdaannemer, Varianthuis, een onderaannemer heeft ingeschakeld voor de installatie van een vloerverwarming. Onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 7:751 BWPro stelt [eisers] dat de hoofdaannemer ten opzichte van de opdrachtnemer aansprakelijk blijft voor fouten in het werk. [eisers] stelt onder verwijzing naar een deskundigenrapport dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de aannemingsovereenkomst, nu de vloerverwarming onjuist is aangelegd, althans onjuist in werking is gesteld. Varianthuis is aansprakelijk voor de opgetreden schade als gevolg van deze tekortkoming.
3.Het geschil in het incident
3.1.
Varianthuis vordert in het incident dat haar wordt toegestaan om [bedrijf 1] , gevestigd en kantoorhouden de te [vestigingsplaats] (hierna te noemen [bedrijf 1] ) in vrijwaring op te roepen. Varianthuis voert daartoe aan dat zij de in het kader van de aannemingsovereenkomst uit te voeren werkzaamheden ter zake het leveren en realiseren van de vloerverwarmingsinstallatie heeft doorgezet naar [bedrijf 2] . Varianathuis stelt dat nu [eisers] , althans de door hem geschakelde deskundige, heeft geconstateerd dat de door [eisers] gevorderde schade het gevolg is van het niet of niet deugdelijk uitvoeren van het stookprotocol en Varianthuis deze contractuele verplichting heeft door gecontracteerd naar [bedrijf 2] , Varianthuis recht en belang heeft bij het oproepen in vrijwaring van [bedrijf 2] .
3.2.
[eisers] heeft bij conclusie van antwoord in het incident - kort gezegd - aangegeven dat zij zich refereert aan het oordeel van de rechtbank.
4.De beoordeling in het incident
4.1.
De incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring is tijdig en vóór alle weren genomen. Op grond van artikel 210 lid 1 RvPro kan de gedaagde iemand in vrijwaring oproepen, indien hij meent hiertoe gronden te hebben. Voldoende is dat gedaagde in de hoofdzaak genoegzaam stelt, dat tussen hem en de derde een rechtsverhouding bestaat krachtens welke de derde verplicht is de nadelige gevolgen van een veroordeling van gedaagde in de hoofdzaak te dragen.
4.2.
De rechtbank overweegt dat, nu uit de conclusie van eis in het incident genoegzaam is gebleken van een in rechte te respecteren belang van Varianthuis om [bedrijf 2] B.V. in vrijwaring op te roepen en [eisers] hiertegen geen bezwaar heeft gemaakt, de incidentele vordering voor toewijzing gereed ligt.
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank kan in het incident geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5.De beslissing
De rechtbank:
in het incident
5.1.
staat Varianthuis toe [bedrijf 1] , gevestigd te [adres] , op te roepen in vrijwaring tegen de rolzitting van woensdag 4 maart 2026 om 11:00 uur;
5.2.
compenseert de proceskosten van het incident in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in de hoofdzaak
5.3.
verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 4 maart 2026 om 11:00 uurvoor het nemen van een conclusie van antwoord aan de zijde van Varianthuis;
5.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.B. van Baalen en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.