Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 26 Wet wapens en munitieArt. 55 Wet wapens en munitieArt. 47 Sr
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling medeplegen handel cocaïne en wapenbezit met procesafspraken
De rechtbank Noord-Nederland heeft op 5 februari 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte, die werd verdacht van medeplegen van handel in circa 6 kilo cocaïne, het voorhanden hebben van circa 40 kilo cocaïne en het bezit van een automatisch wapen met munitie.
Er zijn procesafspraken gemaakt tussen het openbaar ministerie en de verdediging, waarin een gevangenisstraf van 40 maanden werd voorgesteld. Verdachte heeft deze afspraken vrijwillig en bewust aanvaard, waarbij hij afstand deed van bepaalde verdedigingsrechten. De rechtbank heeft getoetst of deze afspraken voldoen aan de eisen van een eerlijk proces volgens artikel 6 EVRMPro en de geldende wetgeving.
De rechtbank acht de bewezenverklaring van de feiten wettig en overtuigend, gebaseerd op de bewijsmiddelen in het dossier. Verdachte wordt veroordeeld tot 40 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest. De straf is in redelijke verhouding tot de ernst van de feiten, de maatschappelijke impact van drugshandel en wapenbezit, en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 40 maanden gevangenisstraf voor medeplegen van handel in cocaïne en bezit van een automatisch wapen.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.385703.24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 5 februari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van
22 januari 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. K. Blonk, advocaat te Rotterdam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr.
J. Houwink.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij, in of omstreeks de periode van 7 januari 2021 tot en met 1 februari 2021 te Groningen en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk heeft vervoerd en/of geleverd en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt een
middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten (onder meer) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 6 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, (een) middel(len) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij, in of omstreeks de periode van 7 januari 2021 tot en met 10 januari 2021 te Groningen en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk aanwezig heeft gehad een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten (onder meer) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 40 kilogram/blokken cocaïne, althans 6 kilo cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, (een) middel(len) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3
hij in of omstreeks de periode van 14 januari 2021 tot en met 18 januari 2021, althans in de periode van (januari) 2021 te Ijmuiden en/of Groningen en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, een wapen van categorie II, onder 2 en/of III, onder 1 en/of munitie van categorie III van de Wet Wapens en Munitie, te weten
een AK-47 vuurwapen met bayonet, geschikt om automatisch te vuren, althans een AK-47 vuurwapen en/of
drie magazijnen met (scherpe) munitie, te weten 7.62 x 39 mm patronen, geschikt voor een AK-47 vuurwapen, althans enige hoeveelheid munitie van categorie III van de Wet Wapens en Munitie voorhanden heeft gehad.
Procesafspraken
Het openbaar ministerie en de verdediging hebben zogeheten procesafspraken gemaakt over wat volgens hen een passende uitkomst van de strafzaak zou zijn.
Deze procesafspraken hebben zij opgenomen in een overeenkomst gedateerd
18 september 2025, die zij voorafgaand aan de inhoudelijke zitting, en voorzien van de handtekeningen van zowel de officier van justitie als die van verdachte en zijn raadsvrouw, hebben overgelegd aan de rechtbank. Het openbaar ministerie en de verdediging hebben de rechtbank daarmee een gezamenlijk voorstel gedaan over de wijze van afdoening van de zaak.
Het afdoeningsvoorstel houdt - voor zover relevant voor dit vonnis - in dat:
- het openbaar ministerie zal rekwireren tot een bewezenverklaring en kwalificatie van de feiten 1 tot en
met 3 zoals weergegeven in de procesafspraken;
- het openbaar ministerie een strafeis zal vorderen bestaande uit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf
voor de duur van 40 maanden met aftrek van voorarrest;
verdachte geen bewijsverweren voert en al ingediende onderzoekswensen intrekt;
verdachte geen (nadere) verklaring hoeft af te leggen;
verdachte zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf zal onttrekken.
Voorts zijn in het afdoeningsvoorstel afspraken vastgelegd met betrekking tot de ontnemingsvordering, waarover de rechtbank zal oordelen per afzonderlijke beslissing.
Beoordeling van de procesafspraken door de rechtbank
De rechtbank heeft zich gebogen over de vraag of het mogelijk is de zaak conform de tussen het openbaar ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken af te doen. De rechtbank dient daarbij te beoordelen of de eisen die artikel 6 vanPro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) aan een eerlijk proces stelt, voldoende zijn gewaarborgd. Bij de beoordeling zijn voor de rechtbank leidend geweest de uitgangspunten zoals verwoord door de Hoge Raad in het arrest van 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252.
De rechtbank heeft op de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting van 22 januari 2026 de procesafspraken besproken, zoals deze zijn vervat in de ondertekende overeenkomst. De officier van justitie heeft de achterliggende redenen voor het maken van de procesafspraken toegelicht. Daarbij heeft hij aangegeven dat deze afspraken in het belang zijn van het efficiënt afronden van de strafzaak.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zich volledig bewust is van de inhoud van de gemaakte procesafspraken en dat hij hierachter staat. De rechtbank is van oordeel dat verdachte vrijwillig en op basis van voor hem voldoende en duidelijke informatie is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan hetgeen in de procesafspraken is overeengekomen. De rechtbank stelt daarnaast vast dat verdachte zich bewust is van de rechtsgevolgen van de procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van bepaalde verdedigingsrechten. Daarmee is tevens voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, zoals neergelegd in art. 6 EVRMPro, zodat de procesafspraken bij het oordeel van de rechtbank kunnen worden betrokken. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat verdachte gedurende het proces is bijgestaan door zijn raadsvrouw.
De rechtbank houdt echter ook een eigen verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak plaatsvinden overeenkomstig de geldende wettelijke bepalingen, met name de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering, hetgeen ook ter zitting is benadrukt. De rechtbank zal hierna bij de beoordeling van het bewijs en het bepalen van de straf de gemaakte procesafspraken dan ook toetsen aan deze wettelijke bepalingen en beoordelen of een afdoening van de zaak in lijn met die afspraken al dan niet leidt tot een uitkomst die niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft overeenkomstig de procesafspraken de bewezenverklaring gevorderd van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft overeenkomstig de procesafspraken geen bewijsverweren gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de bewezenverklaring zoals opgenomen in de procesafspraken in voldoende mate steun vindt in de bewijsmiddelen in het dossier, in die zin dat op grond van deze
bewijsmiddelen buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan.
De rechtbank grondt deze beslissing op de bewijsmiddelen in het dossier. Als tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op dit vonnis, dat aan het verkort vonnis wordt gehecht.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1
hij, in de periode van 7 januari 2021 tot en met 1 februari 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft verkocht een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten een hoeveelheid van ongeveer 6 kilogram cocaïne;
2
hij, in de periode van 7 januari 2021 tot en met 10 januari 2021 in Nederland opzettelijk aanwezig heeft gehad een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten een hoeveelheid van ongeveer 40 kilogram cocaïne;
3
hij in de periode van 14 januari 2021 tot en met 18 januari 2021, in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, een wapen van categorie II, onder 2 en munitie van categorie III van de Wet Wapens en Munitie, te weten
een AK-47 vuurwapen met bayonet, geschikt om automatisch te vuren, en
drie magazijnen met (scherpe) munitie, te weten 7.62 x 39 mm patronen, geschikt voor een AK-47 vuurwapen,
voorhanden heeft gehad.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod,
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26 lid 1 vanPro de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en munitie van categorie III.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft conform de procesafspraken gevorderd dat verdachte ter zake van feiten 1, 2 en 3 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden met aftrek van voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen inhoudelijk strafmaatverweer gevoerd en heeft de rechtbank verzocht aan te sluiten bij het strafvoorstel van de procesafspraken.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft zich beraden over het afdoeningsvoorstel en haar eigen afweging gemaakt bij de bepaling van de op te leggen straf. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de reclasseringsrapportages, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het standpunt van de verdediging.
Verdachte heeft een grote hoeveelheid cocaïne voorhanden gehad en een deel daarvan samen met een ander verkocht en daarmee op de markt gebracht. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Het gebruik van en de handel in drugs leidt bovendien direct en indirect tot vele andere vormen van criminaliteit en vormt aldus een bron van overlast voor de samenleving. Ook heeft verdachte een automatisch vuurwapen en bijbehorende munitie aangeschaft en voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens en munitie vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen en wordt volgens de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting als uitgangspunt bestraft met een gevangenisstraf van 12 maanden. Voor het bezit en de verkoop van de bewezenverklaarde hoeveelheden cocaïne worden doorgaans gevangenisstraffen opgelegd vanaf 36 maanden. Dat verdachte eerder veroordeeld is voor het plegen van strafbare feiten, waaronder ook voor overtreding van de Wet wapens en munitie, werkt strafverzwarend.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de voorgestelde straf in redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak, de ouderdom van de feiten en de straf(proces)rechtelijke en maatschappelijke voordelen die behaald worden met een afdoening middels procesafspraken. De rechtbank zal verdachte in lijn met de procesafspraken veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden met aftrek van voorarrest.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 47, 57, 63, van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van 5 februari 2026.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.B.W. Venema, voorzitter, mr. C. Brouwer en mr. K. Offerein-Hulshoff, rechters, bijgestaan door mr. M.M. Peters, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 februari 2026.
Mr. K. Offerein-Hulshoff is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.