De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) om een machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen in een gezinsgerichte accommodatie te verlenen voor de duur van een jaar. De minderjarigen waren zonder machtiging overgeplaatst naar een gezinshuis, wat aanleiding gaf tot bezorgdheid over de veiligheid en het welzijn van de kinderen.
De moeder uitte ernstige zorgen over het gezinshuis, waaronder beschuldigingen van onacceptabel gedrag van de gezinshuismoeder. De GI kon niet voldoende uitleggen waarom het verzoek tot machtiging pas na twee maanden werd ingediend en gaf onvoldoende regie over de situatie. De kinderrechter constateerde dat pleegzorg de voorliggende voorziening is en dat niet is aangetoond dat de problematiek van de kinderen verblijf in een pleeggezin onmogelijk maakt.
De kinderrechter wees het verzoek tot machtiging af en benoemde ambtshalve een bijzondere curator om de belangen van de minderjarigen te behartigen. De bijzondere curator krijgt de opdracht om te onderzoeken of thuisplaatsing bij de moeder met passende ondersteuning mogelijk is en om te adviseren over verdere hulpverlening. De zaak wordt aangehouden tot een zitting op 18 februari 2026, waarbij de bijzondere curator en GI een verslag en stand van zaken dienen in te dienen.