Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:457

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
11983963 / ER VERZ 25-203
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:149 lid 2 BWArt. 4:151 BWArt. 4:161 BWArt. 3:68 BWArt. 4:202 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag executeur wegens ernstig wantrouwen en belangenverstrengeling in nalatenschap

De nalatenschap van een overledene werd beheerd door een executeur die tevens bestuurder was van een legataris. De erfgenamen verzochten zijn ontslag wegens ernstig wantrouwen, gebaseerd op het beheer van het vermogen, het verrichten van schenkingen aan zichzelf, het afsluiten van een renteloze lening en het niet tijdig afwikkelen van de nalatenschap.

De executeur voerde aan dat hij zijn taken niet had verwaarloosd, de schenkingen waren teruggedraaid en dat zijn handelen binnen de volmacht viel. De kantonrechter oordeelde dat de executeur niet als een goed gevolmachtigde had gehandeld, zijn eigen belang voorop had gesteld en dat dit wantrouwen objectief en niet aanstonds weg te nemen was.

Daarom werd het verzoek tot ontslag van de executeur toegewezen, met de verplichting tot verantwoording afleggen en veroordeling in de proceskosten. De voorlopige voorziening werd daarmee overbodig geacht.

Uitkomst: De executeur wordt ontslagen wegens ernstig wantrouwen en verplicht tot verantwoording, met veroordeling in proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer / rekestnummer: 11983963 / ER VERZ 25-203
Beschikking van 18 februari 2026
op verzoek van

1.[verzoeker sub 1] ,

wonende te [plaats] ,
2.
[verzoeker sub 2] ,
wonende te [plaats] ,
3.
[verzoeker sub 3] ,
wonende te [plaats] ,
4.
[verzoeker sub 4] ,
wonende te [plaats] ,
5.
[verzoeker sub 5] ,
wonende te [plaats] ,
verzoekers,
hierna te noemen: [verzoeker sub 1] c.s. ,
gemachtigde: mr. E.J. Luursema,
tegen
[verweerder] ,
wonende te [plaats] ,
verweerder,
hierna te noemen: [verweerder] ,
procederende in persoon,
in de nalatenschap van
[erflater],
geboren op [geboortedatum] 1932 te [geboorteplaats] ,
overleden op 23 februari 2025 in de gemeente Het Hogeland,
laatst gewoond hebbende in [plaats] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijk uit:
  • het verzoekschrift, binnengekomen ter griffie op 20 november 2025;
  • het verweerschrift, binnengekomen ter griffie op 19 januari 2026;
  • de mondelinge behandeling, die heeft plaatsgevonden op 28 januari 2026, waar zijn verschenen [verzoeker sub 1] , [verzoeker sub 2] , [verzoeker sub 3] en [verzoeker sub 5] , bijgestaan door hun gemachtigde mr. E.J. Luursema. Daarnaast is [verweerder] verschenen.
  • de akte overlegging producties van de zijde van [verweerder] , binnengekomen ter griffie op 29 januari 2026;
  • de antwoordakte van de zijde van [verzoeker sub 1] c.s. , binnengekomen ter griffie op 3 februari 2026.
1.2.
Beschikking is vervolgens bepaald op heden.

2.De feiten

2.1.
Op 23 februari 2025 is de heer [erflater] (hierna:
erflater) op 93-jarige leeftijd overleden. Erflater heeft bij testament van 9 oktober 2020 over zijn nalatenschap beschikt. Daarbij heeft erflater [verzoeker sub 1] c.s. – zijn kinderen – als zijn erfgenamen benoemd.
2.2.
Verzoekster sub 1, [verzoeker sub 1] , heeft de nalatenschap van erflater beneficiair aanvaard.
2.3.
Erflater heeft in zijn testament twee legaten opgenomen. Erflater heeft aan De Tiltenberg, Centrum voor kerkelijke opleidingen, 15% van de waarde van zijn nalatenschap gelegateerd en daarnaast 45% aan [stichting] . Erflater heeft voor beide legaten bepaald dat deze negen maanden na zijn overlijden opeisbaar zijn. [verweerder] is bestuurder van [stichting] .
2.4.
In zijn testament heeft erflater [verweerder] benoemd tot executeur. [verweerder] heeft de benoeming aanvaard.
2.5.
Bij leven heeft erflater aan [verweerder] een algemene volmacht verleend, opgesteld door notaris mr. G.C. Hilgen bij akte van 9 oktober 2020. De verleende volmacht strekt zich uit tot vertegenwoordiging in alle handelingen op alle rechtsgebieden. In de volmacht is bepaald dat de gevolmachtigde bevoegd is om als wederpartij van de volmachtgever op te treden. Tevens is bepaald dat de gevolmachtigde niet bevoegd is tot het doen van giften. De volmacht treedt in werking vanaf het moment dat een arts schriftelijk heeft verklaard dat de volmachtgever als gevolg van zijn lichamelijke en/of geestelijke toestand blijvend niet meer in staat is zijn wil te uiten en zijn vermogensrechtelijke belangen te behartigen.
2.6.
Op 1 juli 2024 heeft drs. [arts] , specialist ouderengeneeskunde, een verklaring opgesteld waarin hij concludeert dat erflater wilsonbekwaam is om de veiligheid van zijn woonsituatie te overzien, de ongepastheid van zijn gedrag naar zorgmedewerkers in te zien, de noodzaak voor een verpleeghuis opname te begrijpen en om te begrijpen dat zijn gevolmachtigde de aanvragen bij het CIZ voor hem zal tekenen.
2.7.
[verweerder] heeft onder gebruikmaking van de volmacht de zakelijke bankrekening van erflater met nummer [rekeningnummer] per 1 december 2024 ten name van de onderneming “ [bedrijf] ” laten stellen. Na het overlijden van erflater heeft [verweerder] op 2 maart 2025 van deze bankrekening een bedrag groot € 84.964,36 overgemaakt naar zijn eigen bankrekening. Op 6 mei 2025 is een gelijk bedrag overgemaakt aan de boedelrekening onder de vermelding “uitkering erven [erflater] ”, waarna de rekening met nummer [rekeningnummer] per 1 juli 2025 is opgeheven.
2.8.
Eén dag voor het overlijden van erflater heeft [verweerder] onder gebruikmaking van de aan hem verleende volmacht een bedrag van € 100.000,00 aflossingsvrij en renteloos van erflater aan zichzelf uitgeleend.
2.9.
[verzoeker sub 1] c.s. heeft op 18 augustus 2025 een boedelbeschrijving van [verweerder] ontvangen. Per brief van 21 augustus 2025 heeft [verzoeker sub 1] c.s. ontbrekende informatie bij [verweerder] opgevraagd. Per e-mails van 25 en 28 augustus 2025 heeft [verweerder] stukken ter onderbouwing van de boedelbeschrijving aan [verzoeker sub 1] c.s. verstrekt.
2.10.
Op 9 september 2025 heeft [verweerder] de erfgenamen ervan op de hoogte gesteld dat hij uitstel heeft aangevraagd voor het indienen van de aangifte erfbelasting tot 1 mei 2030.
2.11.
Medio september 2025 heeft [verzoeker sub 1] c.s. een gedeelte van de bankafschriften van erflater ontvangen van [verweerder] . Daaruit blijken onder meer de volgende transacties vanaf de bankrekeningen van erflater naar de bankrekening van [verweerder] :
  • op 8 november 2024 € 152.367,00 onder vermelding van “schenking”
  • op 16 november 2024 € 500.000,00 onder vermelding van “herroepelijke schenking”
  • op 30 december 2024 € 12.383,14
[verweerder] heeft de bedragen van € 152.367,00 en € 500.000,00 die hij aan zichzelf had overgeboekt, naderhand weer teruggestort op de rekening van erflater.

3.Het verzoek

3.1.
[verzoeker sub 1] c.s. heeft de kantonrechter verzocht, uitvoerbaar bij voorraad:
bij wege van voorlopige voorziening, voor de duur van het geding
[verweerder] te schorsen als executeur in de nalatenschap van [erflater] ,
overleden op 23 februari 2025.
in de hoofdzaak
I. [verweerder] te ontslaan als executeur in de nalatenschap van [erflater] , overleden op 23 februari 2025;
II. [verweerder] te verplichten om binnen 4 weken na zijn ontslag aan [verzoeker sub 1] c.s. op de wijze als voor bewindvoerders bepaald rekening en verantwoording af te leggen aan [verzoeker sub 1] c.s. ;
III. [verweerder] te veroordelen in de kosten van het geding.

4.Het standpunt van [verzoeker sub 1] c.s.

4.1.
[verzoeker sub 1] c.s. heeft gesteld dat er sprake is van gewichtige redenen tot ontslag van [verweerder] als executeur. [verzoeker sub 1] c.s. is van oordeel dat sprake is van objectief gerechtvaardigd ernstig wantrouwen ten aanzien van [verweerder] . Volgens [verzoeker sub 1] c.s. stelt [verweerder] zich weigerachtig op ten aanzien van zijn informatieplicht als executeur. Verder bevreemdt het [verzoeker sub 1] c.s. dat [verweerder] een dag voor het overlijden van erflater een leningsovereenkomst met zichzelf heeft gesloten. [verweerder] heeft aan zichzelf schenkingen verricht ten laste van erflater terwijl hij daartoe niet bevoegd was. [verzoeker sub 1] c.s. betwisten dat de medische verklaring van dokter [arts] voldoende is om de volmacht in werking te laten treden. [verzoeker sub 1] c.s. hebben door de manier waarop [verweerder] het vermogen van erflater tijdens diens leven heeft beheerd geen enkel vertrouwen in hem als executeur van de nalatenschap. Daarnaast is volgens [verzoeker sub 1] c.s. sprake van belangenverstrengeling omdat [verweerder] tevens bestuurder is van [stichting] ., een van de legatarissen. Tot slot menen [verzoeker sub 1] c.s. dat [verweerder] door uitstel te vragen van de termijn om aangifte erfbelasting te doen, nog jaren als executeur in functie wil blijven en de nalatenschap niet voldoende voortvarend wil afwikkelen.

5.Het standpunt van [verweerder]

5.1.
kan zich niet verenigen met het verzoek. Er is volgens hem geen sprake van een gewichtige reden voor ontslag, omdat [verweerder] als executeur niet tekort is geschoten. [verweerder] heeft zijn bevoegdheden niet overschreden, heeft zijn verplichtingen niet verwaarloosd en is er geen omstandigheid dat hij niet in staat zou zijn tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. De bevoegdheden van de executeur zijn in het testament duidelijk omschreven. Er is geen sprake van een (schijn van) belangenverstrengeling aan de zijde van de executeur, waardoor niet kan worden geconcludeerd tot een objectief gerechtvaardigd wantrouwen en dus tot schorsing of ontslag van de executeur. De schenkingen die [verweerder] aan zichzelf heeft verricht, zijn inmiddels gerestitueerd. [verweerder] heeft zichzelf de lening van € 100.000,00 verstrekt als financiële buffer voor het geval dat hij een aanslag erfbelasting zou moeten betalen terwijl de verkoop van het pand uit de nalatenschap mogelijk langer op zich zou laten wachten. De wijze van beheer van het vermogen van erflater tijdens diens leven is voor de beoordeling van de executeur niet relevant, omdat het gaat over de nalatenschap, aldus [verweerder] .

6.De beoordeling

6.1.
Een van de erfgenamen heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard, zodat de nalatenschap in beginsel moet worden vereffend. Maar omdat uit de voorlopige boedelbeschrijving blijkt dat de nalatenschap ruimschoots toereikend is, hoeft de nalatenschap niet te worden vereffend (artikel 4:202 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)).
6.2.
[verweerder] heeft op 5 februari 2026 een brief toegezonden naar de rechtbank met aanvullend verweer. Op dat stuk kan geen acht worden geslagen, omdat dit is ontvangen nadat de kantonrechter heeft bepaald dat uitspraak zal worden gedaan, en de kantonrechter voor de inzending geen toestemming heeft verleend. [verzoeker sub 1] c.s. kennen de aanvullende brief van [verweerder] niet en daar niet op hebben kunnen reageren. De brief van 5 februari 2026 blijft daarom buiten beschouwing.
6.3.
Op grond van artikel 4:149 lid 2 BW Pro kan ontslag aan de executeur worden verleend op verzoek van de erfgenamen om gewichtige redenen. Van gewichtige redenen kan sprake zijn wanneer van één of meer van de erfgenamen niet kan worden gevergd dat de nalatenschap waarin zij deelgenoot zijn nog langer wordt beheerd door de in het testament benoemde executeur. Ook een diepgaand, niet aanstonds weg te nemen wantrouwen van de erfgenamen in de executeur kan een gewichtige reden opleveren. Dat wantrouwen moet wel gestoeld te zijn op concrete en objectieve feiten. Enkel subjectieve belevenissen zijn ontoereikend voor het verlenen van het ontslag. [1]
6.4.
Vast staat dat [verzoeker sub 1] c.s. de executeur diepgaand wantrouwen en dat dit wantrouwen niet aanstonds weg te nemen is. De vraag die moet worden beantwoord, is of dit wantrouwen is gebaseerd op concrete en objectieve feiten die zulk ernstig wantrouwen rechtvaardigen. Anders dan [verweerder] heeft betoogd, behoort de manier waarop hij het vermogen van erflater tijdens diens leven heeft beheerd, wel degelijk tot de feiten die daarbij meegewogen moeten worden.
6.5.
[verzoeker sub 1] c.s. betwisten de inwerkingtreding van de volmacht op basis waarvan [verweerder] het vermogen van erflater heeft beheerd. Of de volmacht nu wel of niet in werking is getreden, kan echter in het midden blijven omdat de kantonrechter van oordeel is dat [verweerder] , als de volmacht wel in werking is getreden, niet heeft gehandeld op de manier zoals een goed gevolmachtigde betaamt.
6.6.
Artikel 3:68 BW Pro bepaalt dat een gevolmachtigde in beginsel slechts dan als wederpartij van de volmachtgever kan handelen wanneer de inhoud van de te verrichten rechtshandeling zo nauwkeurig vaststaat, dat strijd tussen beider belangen is uitgesloten. De bepaling strekt ertoe te voorkomen dat de gevolmachtigde op de inhoud van de desbetreffende rechtshandeling invloed ten eigen bate kan uitoefenen. In de volmacht die erflater aan [verweerder] heeft verleend, is de werking van artikel 3:68 BW Pro uitgesloten doordat bepaald is dat de gevolmachtigde bevoegd is om als wederpartij van de volmachtgever op te treden. Dat neemt echter niet weg dat een gevolmachtigde zich bij de uitoefening van zijn volmacht moet gedragen zoals een goed gevolmachtigde betaamt. De gevolmachtigde zal zich bij gebruik van de volmacht moeten laten leiden door het belang van de volmachtgever en zal met zorgvuldigheid te werk moeten gaan.
6.7.
[verweerder] heeft aan zichzelf schenkingen verricht van € 152.367,00 en € 500.000,00 ten laste van erflater. De volmacht was daarvoor niet toereikend aangezien giften waren uitgesloten. Weliswaar heeft [verweerder] de bedragen weer teruggestort zodra hij zich realiseerde dat de volmacht niet toereikend was voor schenkingen, maar de kantonrechter constateert dat [verweerder] bij de initiële overboekingen uitsluitend zijn eigen belang voorop heeft gesteld en zich niet heeft laten leiden door het belang van erflater.
6.8.
[verweerder] heeft voorts, met een beroep op de aan hem verleende algemene volmacht, ten laste van erflater een betaling van € 12.383,14 verricht aan zichzelf, heeft zichzelf een renteloze en aflossingsvrije lening van € 100.000,- verstrekt en heeft een bankrekening van erflater op naam van de maatschap [bedrijf] gezet, van welke maatschap [verweerder] – naar diens zeggen – zelf maat was. Uit het verweerschrift en het verhandelde ter zitting is niet gebleken dat met deze handelingen enig ander belang dan het belang van [verweerder] zelf gediend werd.
6.9.
Aldus heeft [verweerder] zich bij de uitoefening van de volmacht niet gedragen zoals een goed gevolmachtigde betaamt en heeft hij bij het beheer van het vermogen van erflater niet het belang van erflater voorop gesteld. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft dit bij [verzoeker sub 1] c.s. redelijkerwijs kunnen leiden tot een diepgaand, niet aanstonds weg te nemen wantrouwen en vormt dit een gewichtige reden voor zijn ontslag. De kantonrechter zal het verzoek van [verzoeker sub 1] c.s. tot ontslag van de executeur daarom toewijzen.
6.10.
De overige gronden die [verzoeker sub 1] c.s. hebben aangevoerd ter onderbouwing van de gewichtige redenen voor ontslag kunnen, nu het verzoek reeds wordt toegewezen, onbesproken blijven.
6.11.
Ook voor de gevraagde voorlopige voorziening geldt dat deze onbesproken kan blijven, nu er gelet op de toewijzing van het verzoek in de hoofdzaak geen belang meer is bij de voorlopige voorziening.
6.12.
Door [verzoeker sub 1] c.s. is tot slot verzocht om te bepalen dat door [verweerder] rekening en verantwoording wordt afgelegd op de wijze als voor bewindvoerders bepaald. De kantonrechter is van oordeel dat nu het verzoek tot ontslag van de executeur wordt toegewezen, dit verzoek gelet op de artikelen 4:151 BW en 4:161 BW dient te worden toegewezen.
6.13.
Gelet op de uitkomst van deze procedure zal [verweerder] worden veroordeeld in de proceskosten, te weten het griffierecht van € 90,00 en het salaris van mr. Luursema van € 576,00 (2 punten x tarief van € 288,00).

7.BESLISSING

De kantonrechter:
7.1.
ontslaat [verweerder] als executeur in de nalatenschap van [erflater] , overleden op 23 februari 2025;
7.2.
verplicht [verweerder] om binnen 4 weken na zijn ontslag aan [verzoeker sub 1] c.s. op de wijze als voor bewindvoerders bepaald rekening en verantwoording af te leggen aan [verzoeker sub 1] c.s. ;
7.3.
veroordeelt [verweerder] tot betaling van de proceskosten, die aan de zijde van [verzoeker sub 1] c.s. worden begroot op € 666,00;
7.4.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. van Gessel, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.

Voetnoten

1.Zie Gerechtshof Den Bosch 21 november 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ4506 en