Aan betrokkene is een boete opgelegd voor het rijden met 21 km per uur te hard binnen de bebouwde kom op 18 oktober 2024. Betrokkene stelde beroep in tegen de boete, die door de officier van justitie ongegrond werd verklaard. Vervolgens werd beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De kantonrechter behandelde het beroep op 30 januari 2026. Betrokkene voerde aan dat de snelheidsmeting niet geldig was omdat de flitspaal op een onverharde ondergrond stond en binnen één meter van de goot of rijbaanrand, wat volgens de Wahv en richtlijnen niet is toegestaan. Tevens wees betrokkene op meerdere vergelijkbare gevallen waarin boetes werden vernietigd vanwege het ontbreken van schouwrapporten van de H1-bebording, waardoor niet vaststond dat de overtreding binnen de bebouwde kom plaatsvond.
De vertegenwoordiger van de officier van justitie erkende dat de flexflitser op zachte ondergrond stond, maar stelde dat dit niet van belang was vanwege de technologie van de flitser. Wel gaf zij aan dat andere boetes waren vernietigd wegens het ontbreken van schouwrapporten en verzocht op grond van het gelijkheidsbeginsel om het beroep gegrond te verklaren.
De kantonrechter volgde dit standpunt en verklaarde het beroep gegrond. De boete werd vernietigd omdat het ontbreken van schouwrapporten de vaststelling van de overtreding binnen de bebouwde kom onvoldoende onderbouwde. Tevens werd bepaald dat betrokkene de zekerheidstelling moet terugkrijgen.