ECLI:NL:RBNNE:2026:527
Rechtbank Noord-Nederland
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen boete voor niet deugdelijk afgedekte losse lading op aanhanger
Betrokkene kreeg een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) voor het rijden met een aanhanger waarvan de losse lading niet deugdelijk was afgedekt, waardoor gevaar kon ontstaan. De overtreding vond plaats op 1 juni 2024 op de Pasmalaan in Oldeholtpade. Betrokkene stelde beroep in tegen de boete, dat eerst door de officier van justitie ongegrond werd verklaard en vervolgens werd voorgelegd aan de kantonrechter.
Tijdens de zitting op 30 januari 2026 voerde betrokkene aan dat de aarde op de aanhanger vochtig en aangestampt was, waardoor deze niet kon afvallen en geen gevaar of hinder kon veroorzaken. De kantonrechter oordeelde echter dat de aanhanger tot de randen gevuld was en dat er aarde op de randen lag, waardoor er een reële kans bestond dat er aarde afviel. Zelfs een kleine hoeveelheid afgevallen aarde kan leiden tot gevaar of hinder, bijvoorbeeld voor een motorrijder die achter de aanhanger rijdt.
De kantonrechter stelde vast dat betrokkene geen zekerheid had gesteld voor de boete, maar zette het te betalen bedrag op nul vanwege zijn Wajong-uitkering. De overtreding werd vastgesteld op basis van de Regeling voertuigen, artikel 5.1.2 in samenhang met artikel 5.18.6 lid 2. De kantonrechter zag geen reden om de boete aan te passen en verklaarde het beroep ongegrond. Betrokkene werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen zes weken na toezending van de beslissing.
Uitkomst: Het beroep tegen de boete wegens het niet deugdelijk afdekken van losse lading op de aanhanger wordt ongegrond verklaard.