Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:597

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
LEE 26/584
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 4:6 AwbArt. 15 AVGAlgemene verordening gegevensbescherming
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake inzage persoonsgegevens op grond van AVG

Verzoekster heeft op grond van artikel 15 AVG Pro verzocht om inzage in stukken over haar contacten met het Centrum voor Jeugd en Gezin en inzage in het dossier van haar minderjarige dochter. Het college van burgemeester en wethouders van Hoogeveen heeft het verzoek deels afgewezen en deels gehonoreerd, waarna verzoekster bezwaar maakte.

De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek om een voorlopige voorziening en stelt vast dat verzoekster een beroep op betalingsonmacht kan doen voor het griffierecht. Vervolgens wordt overwogen dat een voorlopige voorziening alleen kan worden getroffen bij onverwijlde spoed, maar verzoekster heeft geen spoedeisend belang aannemelijk gemaakt. Het enkele beroep op naleving van Unierecht en het risico op onherstelbare schade door vertraging volstaat niet. Ook het argument over het nieuwe digitale systeem en mogelijke risico’s op verlies van gegevens wordt onvoldoende onderbouwd.

Daarom is het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk en wordt het zonder inhoudelijke beoordeling afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter zonder zitting en is onherroepelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/584

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 februari 2026 in de zaak tussen

[naam 1 uit woonplaats] , verzoekster

en

het college van burgemeester en wethouders van Hoogeveen, het college

(gemachtigde: T. Schuurman).

Inleiding en procesverloop

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Awb [1] maakt dat mogelijk.
2. Verzoekster heeft op 18 december 2025 op grond van artikel 15 AVG Pro [2] verzocht om inzage in stukken over haar contacten met het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) en over haar als ouder met gezag. Verzoekster heeft op 23 december 2025 verzocht om inzage in het onderliggende dossier van haar dochter [naam 2] .
2.1.
Het college heeft met het besluit van 15 januari 2026 de aanvraag van 18 december 2025 afgewezen voor zover verzoekster om specifieke dossierstukken heeft gevraagd. Het college heeft het recht op inzage in haar dossier toegekend. Vanaf 26 januari 2026 tot en met 9 februari 2026 kan zij het dossier ophalen. Het verzoek om inzage in het dossier van haar dochter is afgewezen op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Het college heeft een eerder verzoek op 19 juni 2025 afgewezen.
2.2.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Het college heeft het primaire besluit gewijzigd bij besluit van 18 februari 2026. Het college zal de door verzoekster gevraagde documenten op elektronische wijze aan haar verstrekken, nadat het college de identiteit van verzoekster en haar dochter heeft kunnen vaststellen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Verzoekster heeft een beroep op betalingsonmacht gedaan met betrekking tot het voor de verzoekprocedure verschuldigde griffierecht. Op grond van de door verzoekster overgelegde uitkeringsspecificaties acht de voorzieningenrechter aannemelijk dat het maandelijks netto-inkomen van verzoekster in de in aanmerking te nemen periode minder bedraagt dan 95% van de voor een alleenstaande ouder geldende (maximale) bijstandsnorm en dat zij over onvoldoende vermogen beschikt waaruit het verschuldigde griffierecht kan worden betaald. Het beroep op betalingsonmacht wordt daarom in deze procedure gehonoreerd.
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist.
4.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat bij de toepassing van de AVG niet snel sprake zal zijn van een zodanig spoedeisend belang dat de beslissing op bezwaar niet afgewacht kan worden. Verzoekster heeft niet duidelijk gemaakt welk spoedeisend belang het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Een beroep op naleving van geldend Unierecht volstaat daartoe niet. De stelling dat vertraging de risico’s vergroot op onherstelbare schade, onjuiste besluitvorming en verdere verspreiding van mogelijk onrechtmatig verwerkte persoonsgegevens evenmin. De overgang naar een nieuw digitaal systeem door het college is onvoldoende belang, nu verzoekster het vergrote risico op het wijzigen of overschrijven van en niet meer reproduceerbaar zijn van loggegevens, audittrails, zaakjournaals en metadata niet aannemelijk heeft gemaakt. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is.

Conclusie en gevolgen

5. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. O.J.J.C. Koopmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Algemene verordening gegevensbescherming.