Uitspraak
beslissing
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
1.De procedure
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 19 januari 2026;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 19 januari 2026.
Rechtbank Noord-Nederland
Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter in een procedure tussen verzoeker en ING Bank N.V. betreffende toestemming voor de verkoop van een onroerende zaak waarop een recht van eerste hypotheek rust. Verzoeker stelde dat de rechter partijdig was omdat een verzoek tot doorhaling of aanhouding van de zitting op de ochtend van de zitting niet werd toegewezen, terwijl verzoeker ziek was en de procedure volgens hem geen doorgang zou vinden.
De rechter gaf aan dat verzoeker tijdig was geïnformeerd over de zittingsdatum en locatie en dat het late verzoek tot aanhouding voor risico van verzoeker kwam. Ook was er geen onderbouwing voor de ziekte als reden en was er voldoende tijd om naar Groningen te reizen. De wrakingskamer oordeelde dat een beslissing op een uitstelverzoek een procesbeslissing is die in principe geen grond voor wraking vormt, tenzij deze onbegrijpelijk is door vooringenomenheid.
De wrakingskamer vond de beslissing van de rechter niet onbegrijpelijk of onjuist en er waren geen feiten die op vooringenomenheid wezen. Daarom werd het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond verklaard en werd de hoofdzaak voortgezet in de stand van het wrakingsverzoek. Een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek vond niet plaats.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wegens vermeende partijdigheid is kennelijk ongegrond verklaard en de hoofdzaak wordt voortgezet.