ECLI:NL:RBNNE:2026:613

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
25-029039
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 WWETGCArt. 6:4:5 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaarschrift rechtspersoon wegens onbevoegde vertegenwoordiging

Een rechtspersoon, veroordeelde, diende een bezwaarschrift in tegen een dwangbevel tot verhaal van een geldelijke sanctie opgelegd door een Sloveense autoriteit wegens overbelasting van een vrachtwagen. Het bezwaarschrift werd tijdig ingediend en behandeld door de meervoudige raadkamer van de rechtbank Noord-Nederland.

Tijdens de zitting verschenen veroordeelde en de indiener van het bezwaarschrift niet. De rechtbank vroeg om een uittreksel uit het Handelsregister om de bevoegdheid van de indiener te toetsen. Uit het uittreksel bleek dat de indiener niet als bestuurder of gevolmachtigde van de rechtspersoon was geregistreerd.

Daarom oordeelde de rechtbank dat de indiener niet bevoegd was om de rechtspersoon in rechte te vertegenwoordigen en verklaarde het bezwaarschrift niet-ontvankelijk. De beslissing werd uitgesproken op 25 februari 2026 door de meervoudige raadkamer. Tegen deze beslissing kan binnen veertien dagen cassatie worden ingesteld onder betaling van een zekerheidsstelling.

Uitkomst: Het bezwaarschrift van de rechtspersoon wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onbevoegde vertegenwoordiging.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Leeuwarden
raadkamernummer 25-029039 cjib-nummer [nummer]
Beschikking van de meervoudige raadkamer d.d. 25 februari 2026 op het verzet ex artikel 15 van Pro de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie, ingesteld door

[veroordeelde] .

gevestigd [vestigingsplaats] , hierna te noemen: veroordeelde.

Procesverloop

Namens veroordeelde heeft de persoon [indiener bezwaarschrift] zich bij bezwaarschrift verzet tegen het nemen van verhaal door afgifte van een dwangbevel. Het bezwaarschrift is op 10 oktober 2025 ontvangen door het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) en is vervolgens doorgezonden naar de rechtbank waar het op 13 november 2025 is ontvangen.
De behandeling van het bezwaarschrift heeft plaatsgevonden op 11 februari 2026. Veroordeelde en de persoon [indiener bezwaarschrift] zijn niet verschenen. De oproeping van veroordeelde voor deze zitting en een tweede mededeling van dag en uur van de zitting zijn verzonden naar het door veroordeelde opgegeven adres. De heer [medewerker CJIB] , medewerker bij het CJIB, was namens de Minister van
Justitie en Veiligheid als procesvertegenwoordiger aanwezig bij de behandeling.
De griffier heeft veroordeelde schriftelijk uitgenodigd de gronden van zijn bezwaar aan te vullen, onder toezending van de door het CJIB overgelegde stukken. Veroordeelde is hierbij tevens verzocht een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel naar de rechtbank te zenden in verband met de toetsing van de bevoegdheid om veroordeelde, een rechtspersoon, in rechte te mogen vertegenwoordigen. Er zijn geen nadere stukken of andere informatie ontvangen van veroordeelde.

Motivering

1. Namens veroordeelde heeft [indiener bezwaarschrift] verzet ingesteld op grond van artikel 15 van Pro de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie (WWETGC). Artikel 6:4:5, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is van overeenkomstige toepassing verklaard.
2. Het bezwaarschrift is tijdig ingediend.
3. Uit de stukken blijkt dat aan veroordeelde op 5 maart 2024 door het rechtsprekend forum Postaja Prometne Policije Celje, te Velenje in Slovenië een geldelijke sanctie is opgelegd. Deze sanctie bestaat uit een verplichting tot betaling van 900,00. Deze sanctie is opgelegd in verband met - kort gezegd - het overbelasten van een vrachtwagen. De beslissing is op 14 maart 2024 onherroepelijk geworden. De Sloveense autoriteiten hebben Nederland verzocht om erkenning en tenuitvoerlegging van deze beslissing. De officier van justitie heeft op 16 april 2025 de betreffende beslissing erkend en de tenuitvoerlegging daarvan overgenomen.
4. De rechtbank dient in de eerste plaats te toetsen of de persoon die namens veroordeelde het bezwaarschrift heeft ingediend, [indiener bezwaarschrift] , daartoe bevoegd was. Ter zitting heeft de procesvertegenwoordiger desgevraagd een uittreksel van het Handelsregister van de Kamer van Koophandel op naam van veroordeelde aan de rechtbank getoond. Een kopie van dit stuk zal in het dossier worden gevoegd.
5. De rechtbank heeft geconstateerd dat het getoonde stuk een uittreksel betrof van de rechtspersoon [veroordeelde] ., veroordeelde. Als bestuurder wordt [bestuurder] vermeld. Als (enige) gevolmachtigde voor deze bestuurder wordt [gevolmachtigde] genoemd. De naam van de indiener van het bezwaarschrift, [indiener bezwaarschrift] , komt niet voor in dit uittreksel. De rechtbank kan [indiener bezwaarschrift] dan ook niet aanmerken als een persoon die bevoegd is veroordeelde in rechte te vertegenwoordigen, waaronder het indienen van een bezwaarschrift namens veroordeelde. Veroordeelde zal om die reden niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in het ingediende bezwaarschrift.

Beslissing

De rechtbank verklaart veroordeelde niet-ontvankelijk in het ingediende bezwaarschrift.
Deze beslissing is gegeven door
mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, mr. W.S. Sikkema en mr. M.R. de Vries, rechters, bijgestaan door T.L. Komrij, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.
Mr. Sikkema is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.
Wanneer u het niet eens bent met deze beslissing kunt u binnen veertien dagen na betekening van deze beslissing cassatie instellen. Het instellen van cassatie doet u bij de rechtbank Noord-Nederland. De Hoge Raad neemt de zaak alleen in behandeling wanneer het aan de Staat verschuldigde bedrag, inclusief kosten, is betaald. Dit bedrag dient als zekerheidsstelling. Zie hiervoor artikel 6:4:5, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het gaat om een bedrag van 1.113,00. Dit bedrag moet binnen twee weken na het instellen van cassatie zijn betaald op rekeningnummer IBAN NL40 INGB 070 500 5143 van het CJIB in Leeuwarden, onder vermelding van het CJIB-nummer [nummer] .
De door de deurwaarder aan u in rekening gebrachte bedragen voor incassokosten/invorderingskosten en kosten van het exploot moeten aan de deurwaarder worden betaald.