ECLI:NL:RBNNE:2026:614
Rechtbank Noord-Nederland
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen erkenning en tenuitvoerlegging Belgische confiscatiebeslissing afgewezen
Veroordeelde heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie tot erkenning en tenuitvoerlegging van een Belgische confiscatiebeslissing van 208.423 euro opgelegd door het Hof van beroep te Antwerpen in 2015.
De rechtbank heeft het beroep inhoudelijk getoetst aan artikel 39 van Pro de WWETGC en Verordening (EU) 2018/1805. Veroordeelde stelde dat hij niet geïnformeerd was over de stuiting van de verjaringstermijn in België, waardoor hij geen rechtsmiddelen kon aanwenden, en dat het tijdsverloop in het executietraject onredelijk was. Tevens voerde hij aan dat het certificaat onvoldoende gespecificeerd was en dat zijn ernstige medische toestand en afwezigheid van draagkracht in aanmerking genomen moesten worden.
De officier van justitie voerde aan dat er geen wettelijke verplichting bestaat om veroordeelde te informeren over de stuiting van de verjaring en dat de weigeringsgronden limitatief zijn. De rechtbank oordeelde dat de stuiting en het tijdsverloop geen grond vormen voor weigering van erkenning en tenuitvoerlegging. Ook het beroep op het Handvest, EVRM en de Verordening 2018/1805 faalde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de beslissing van de officier van justitie.
Uitkomst: Het beroep van veroordeelde tegen de erkenning en tenuitvoerlegging van de Belgische confiscatiebeslissing wordt ongegrond verklaard.