Art. 39 WWETGCArt. 19 lid 1 onder c Verordening 2018/1805Art. 19 lid 1 onder g Verordening 2018/1805Art. 19 lid 1 onder h Verordening 2018/1805Verordening (EU) 2018/1805
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing beroep tegen erkenning en tenuitvoerlegging Belgische confiscatiebeslissing
Op 9 september 2025 is beroep ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie tot erkenning en tenuitvoerlegging van een Belgische confiscatiebeslissing van 14 november 2018. De veroordeelde had verzet ingesteld tegen het vonnis, maar dit werd door het gerecht te Gent niet-ontvankelijk verklaard, waardoor de verbeurdverklaring onherroepelijk werd.
De rechtbank toetst het beroep op grond van artikel 39 WWETGCPro en Verordening 2018/1805, waarbij zij niet mag treden in het buitenlandse rechtsgeding of de buitenlandse beslissingen. De verdediging voerde meerdere verweren aan, waaronder onvolledigheid van het certificaat, niet-verschijnen van veroordeelde bij de zitting en schending van verdedigingsrechten door een vermeende misslag in de Belgische procedure.
De rechtbank oordeelt dat de aangeleverde aanvullende informatie voldoende is, dat de verbeurdverklaring onherroepelijk is en dat geen sprake is van een manifeste schending van grondrechten. Het verzoek tot aanhouding wordt afgewezen vanwege het tijdsverloop en de inhoud van de beslissing. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de erkenning en tenuitvoerlegging van de Belgische confiscatiebeslissing wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot aanhouding wordt afgewezen.
Beslissing van de meervoudige raadkamer d.d. 25 februari 2026 op het beroep op grond van artikel 39 vanPro de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie, ingesteld door
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] ,
hierna te noemen: veroordeelde,
raadsvrouw mr. F.H. van der Pol, advocaat te Almere.
Procesverloop
Op 9 september 2025 is beroep ingesteld tegen de op 28 januari 2025 door de officier van justitie genomen beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging van een op 14 november 2018 door de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent strafzaken, België, opgelegde beslissing tot confiscatie van een bedrag van 20.000,00.
De raadsvrouw en de officier van justitie hebben schriftelijk hun standpunten uiteengezet.
De mondelinge behandeling heeft op 11 februari 2025 plaatsgevonden. Veroordeelde is niet verschenen. Wel is verschenen zijn raadsvrouw mr. F.H. van der Pol. Het openbaar ministerie werd bij de behandeling vertegenwoordigd door de officier van justitie mr. M. Kappeyne van de Coppello.
Motivering
1. Het beroep is ingesteld op grond van artikel 39 vanPro de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie (WWETGC).
De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, is de bevoegde instantie voor de behandeling van het beroep.
2. Het beroep is tijdig en juist ingesteld.
3. De toetsing van het beroep vindt plaats op grond van de op 19 december 2020 in werking getreden Verordening (EU) 2018/1805 van het Europees parlement en de Raad van 14 november 2018 (hierna ook te noemen: Verordening 2018/1805) en op grond van het op 19 december 2020 in werking getreden artikel 39 vanPro de WWETGC.
4. Als uitgangspunten voor de beoordeling van een beroep op grond van artikel 39 vanPro de WWETGC gelden:
de rechtbank moet toetsen of de officier van justitie in redelijkheid tot zijn beslissing tot erkenning heeft kunnen komen;
de officier van justitie mag bij zijn beoordeling niet treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen;
de rechtbank mag bij haar beoordeling evenmin treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen.
5. De verdediging heeft gesteld dat de volgende weigeringsgronden van toepassing zijn:
( a) artikel 19 lid 1 onderPro c van de Verordening 2018/1805 omdat het certificaat onvolledig is en het - ook na aanvullingen per e-mail- onduidelijk is gebleven of de rechter in België heeft meegewogen dat veroordeelde wél een belang had bij het verzet;
( b) artikel 19 lid 1 onderPro g van de Verordening 2018/1805 omdat veroordeelde niet is verschenen op de zitting die heeft geleid tot het confiscatiebevel terwijl in de door hem ingestelde verzetsprocedure de confiscatiebeslissing niet opnieuw is getoetst. Veroordeelde is daardoor niet bij een zitting geweest waar het confiscatiebevel inhoudelijk kon worden betwist.
( c) artikel 19 lid 1 onderPro h van de Verordening 2018/1805 omdat tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel zou leiden tot schending van de rechten van de verdediging en het recht op een behandeling van de zaak. Dit is het geval omdat in België een misslag is gemaakt of in elk geval abusievelijk in het vonnis van de Belgische rechter niet is ingegaan op de verjaringstermijn van de bijzondere verbeurdverklaring. Het feit dat zowel de Belgische advocaat als het Openbaar Ministerie als de Belgische rechtbank niet heeft stilgestaan bij de mogelijkheid dat voor de bijzondere verbeurdverklaring een andere verjaringstermijn gold, mag niet voor rekening van veroordeelde komen. Hierdoor zijn de verdedigingsrechten en het recht op een eerlijk proces geschonden.
6. De verdediging heeft daarnaast een voorwaardelijk aanhoudingsverzoek ingediend in het geval de rechtbank tot een ongegrondverklaring komt. De verdediging wenst dan dat het openbaar ministerie meer informatie zal opvragen in België over onder meer de vraag of de bijzondere verbeurdverklaring wel echt onherroepelijk en niet verjaard is. Ook dienen de vervolgstappen van de Belgische advocaat
te worden afgewacht, waaronder het opnieuw indienen van verzet, om te voorkomen dat veroordeelde in Nederland moet beginnen met betalen en dat misschien niet nodig blijkt te zijn.
7. De officier van justitie heeft -kort gezegd- aangevoerd dat
( a) de e-mailberichten met aanvullende informatie voldoende duidelijk zijn en een aanvulling betreffen op het certificaat;
( b) uit het certificaat naar voren komt dat het bevel tot confiscatie aan veroordeelde is betekend en dat hij daarbij uitdrukkelijk is geïnformeerd over zijn recht op een nieuw proces of een procedure in hoger beroep. Veroordeelde heeft hier ook gebruik van gemaakt door verzet in te stellen. Veroordeelde heeft vervolgens zelf aangegeven dat zijn verzet niet ontvankelijk was. Het gerecht heeft vervolgens vonnis gewezen waarna het initiële verstekvonnis van 14 november 2018 op 4 september 2024 onherroepelijk is geworden.
( c) veroordeelde heeft verzet ingesteld en had zich inhoudelijk kunnen verweren.
8. De rechtbank overweegt als volgt.
9. Ad (a): de rechtbank acht de e-mailberichten met aanvullende informatie voldoende om de onduidelijkheden in het certificaat weg te nemen. De stelling van de raadsvrouw dat moet blijken dat de rechter in België meegewogen heeft dat veroordeelde wel een belang had bij het verzet, schuift de rechtbank terzijde. Deze eis vloeit niet voort uit het recht of de jurisprudentie en zou bovendien inhouden dat er een vorm van toetsing van de inhoud van de in België gevoerde procedure zou plaatsvinden.
10. Ad (b): Veroordeelde is bij vonnis van 14 november 2018 bij verstek veroordeeld tot een straf en een verbeurdverklaring. Het vonnis is aan veroordeelde betekend en daarbij is hij uitdrukkelijk geïnformeerd over zijn recht op een nieuw proces of een procedure in hoger beroep. Veroordeelde heeft vervolgens verzet ingesteld tegen het vonnis van 14 november 2018. Hij werd in de verzetprocedure vertegenwoordigd door een raadsman. Het gerecht te Gent heeft het verzet op 6 november 2024 niet-ontvankelijk verklaard.
Gelet hierop en nu ook anderszins niet gebleken is dat veroordeelde een (ander) rechtsmiddel tegen de beslissing van 14 november 2018 of de beslissing van 6 november 2024 heeft aangewend, moet het ervoor worden gehouden dat de verbeurdverklaring onherroepelijk is geworden.
11. Ad (c): voorop blijft staan dat de rechtbank bij haar beoordeling niet mag treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen. De (veronder)stelling van de verdediging dat door de rechtbank in België een misslag is gemaakt of in elk geval abusievelijk in het vonnis van de Belgische rechter niet is ingegaan op de verjaringstermijn van de bijzondere verbeurdverklaring, ligt hier niet ter toetsing voor. Niet gebleken is dat de tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel leidt tot een manifeste schending van een in het Handvest van de Europese Unie vervat grondrecht.
12. De rechtbank verwerpt de gevoerde verweren.
13. De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie in redelijkheid heeft kunnen afzien van het gebruikmaken van een van de weigeringsgronden van artikel 19 vanPro Verordening 2018/1805 en dat hij in redelijkheid tot de beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging heeft kunnen komen.
14. De rechtbank ziet, gelet op het voorgaande en het tijdsverloop sinds de verstrekking van de stukken aan de raadsvrouw, onvoldoende redenen om het voorwaardelijk gedane verzoek tot aanhouding toe te wijzen.
Beslissing
De rechtbank wijst het (voorwaardelijk gedane) verzoek tot aanhouding af. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze beslissing is op 25 februari 2026 gegeven door mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter,
mr. W.S. Sikkema en mr. M.R. de Vries, rechters, bijgestaan door T.L. Komrij, griffier.
Mr. Sikkema is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.