ECLI:NL:RBNNE:2026:631

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
25-1663
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.7 Wet hersteloperatie toeslagenArt. 2b Besluit op de huurtoeslagArt. 4:17 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schadevergoeding wegens nabetalingen arbeidsongeschiktheidsuitkering door UWV

Eiser heeft het UWV verzocht om schadevergoeding voor fiscale schade en misgelopen toeslagen als gevolg van nabetalingen in 2011, 2012 en 2016. Het UWV kende een deel van de schade toe, maar wees de claim over 2011 en bepaalde posten af vanwege het ontbreken van causaal verband en de mogelijkheid om toeslagen aan te passen.

Eiser voerde aan dat het besluit in strijd was met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel en verzocht om een onafhankelijke deskundige. De rechtbank oordeelde dat het UWV terecht het causaal verband voor 2011 niet aannam en dat de verschillende toeslagen eigen grondslagen kennen, waardoor niet automatisch vergoeding voor huurtoeslag volgt als zorgtoeslag wordt vergoed.

De rechtbank wees ook het beroep op de Catshuisregeling af, omdat deze regeling specifiek is voor de kinderopvangtoeslagaffaire en niet analoog toepasbaar is. Verder was er geen grond voor vergoeding wegens niet tijdige besluitvorming, omdat eiser het UWV niet schriftelijk in gebreke had gesteld.

Het beroep werd ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het UWV-besluit tot schadevergoeding wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/1663

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit Leeuwarden, eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekering (Uwv)

(gemachtigde: mr. S.S. Wiltjer-Rienstra).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het Uwv op eisers verzoek om schadevergoeding. Eiser is het niet eens met dit besluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepsgronden van eiser niet slagen en dat het bestreden besluit tot schadevergoeding in rechte stand houdt. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met brieven van 5 januari 2023 en 15 maart 2023 heeft eiser het Uwv verzocht om schadevergoeding. Met een besluit van 17 mei 2024 (primair besluit) heeft het Uwv bepaald dat een bedrag van in totaal € 4.963,- aan schade wordt vergoed. Met het bestreden besluit van 31 maart 2025 op het bezwaar van eiser heeft het Uwv daarnaast nog een bedrag van
€ 1.544,- aan schadevergoeding toegekend.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 22 december 2025 op zitting behandeld. Partijen waren niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten
3. Eiser ontvangt een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO). Met zijn brieven van 5 januari 2023 en 15 maart 2023 heeft hij het Uwv verzocht om vergoeding van de schade die hij geleden heeft ten gevolge van nabetalingen die in 2011, 2012 en 2016 hebben plaatsgevonden. Eiser heeft hierbij aangegeven dat het gaat om fiscale schade en schade door misgelopen huurtoeslag en zorgtoeslag. Hij heeft de schade begroot op in totaal € 22.956,- en verzocht over dit bedrag ook de wettelijke rente te vergoeden. Eiser heeft ten slotte verzocht zijn schade te compenseren analoog aan de Catshuisregeling.
Schadebesluit Uwv
4. Het Uwv heeft eisers schadeclaim met betrekking tot het jaar 2011 afgewezen vanwege het ontbreken van het vereiste causaal verband. Volgens het Uwv is de omstandigheid dat eiser een aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft afgesloten waarbij wordt aangesloten bij de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de WAO onvoldoende om causaal verband aan te nemen. Het Uwv heeft voor de jaren 2012 en 2016 de te vergoeden schade inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) vastgesteld op € 3.111,-, de te vergoeden schade zorgtoeslag op € 1.517,- en de te vergoeden wettelijke rente over deze bedragen op € 335,-. Dit is in totaal een bedrag van
€ 4.963,-. Daarnaast heeft het Uwv blijkens het bestreden besluit uit coulance aanleiding gezien om de over het jaar 2012 berekende huurtoeslag van € 1.544,- eveneens te vergoeden. Het Uwv neemt verder het standpunt in dat voor de huurtoeslag over het jaar 2016 geen aanspraak bestaat op schadevergoeding. Het Uwv geeft hierbij aan dat voor de huurtoeslag anders dan voor de zorgtoeslag de mogelijkheid bestaat om een verzoek in te dienen om inkomsten/nabetalingen vanuit het Uwv als ‘bijzonder inkomen’ aan te merken dat niet meetelt bij de vaststelling van de hoogte van de toeslag. In eisers geval heeft dit in 2016 ook daadwerkelijk plaatsgevonden. Het Uwv is ten slotte voorbij gegaan aan eisers verzoek om zijn schade te compenseren analoog aan de Catshuisregeling omdat eiser niet, zoals gevraagd, heeft toegelicht waarom er recht zou bestaan op een dergelijke vergoeding.
Beroepsgronden
5. Eiser voert aan dat het bestreden besluit genomen is in strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidbeginsel. Hij geeft hierbij aan dat waar de zorgtoeslag gecompenseerd wordt, dat ook moet gelden voor de misgelopen huurtoeslag over de verschillende periodes. Eiser stelt dat hiervoor het principe van gelijke monniken, gelijke kappen geldt. Hij verzoekt de rechtbank eventueel een onafhankelijke deskundige aan te wijzen om de werkelijk geleden vervolgschade alsmede de wettelijke rente nader te beoordelen en in kaart te brengen. Eiser wil ook een aanvullende vergoeding voor “de overige schadeposten” met wettelijke rente. Ter onderbouwing van het beroep heeft hij ten slotte verwezen naar de gronden die in het bezwaarschrift naar voren zijn gebracht. Hierin heeft hij onder andere verzocht om schadevergoeding vanwege tardieve besluitvorming.
6. Naar aanleiding hiervan overweegt de rechtbank het volgende.
Schadeclaim over 2011
7. De rechtbank stelt vast dat het Uwv vergoeding van de door eiser gestelde schade over 2011 heeft afgewezen vanwege het ontbreken van het vereiste causaal verband. De rechtbank kan dit volgen, nu het ging om een nabetaling uit hoofde van de aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekering van eiser bij Proteq NV. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv in de omstandigheid dat daarbij wordt aangesloten bij de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de WAO terecht onvoldoende grond gezien voor het aannemen van het vereiste causaal verband. Dit is in overeenstemming met de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep in vergelijkbare gevallen. [1] Eiser heeft ook niet aangegeven dat en waarom in zijn geval het vereiste causaal verband toch zou moeten worden aangenomen.
Schadeclaim over 2012
8. De rechtbank stelt vast dat het Uwv in zoverre aan eiser is tegemoetgekomen dat de door hem over het jaar 2012 misgelopen huurtoeslag alsnog is vergoed. Het Uwv heeft zich terecht niet gehouden geacht tot vergoeding van de wettelijke rente over dit bedrag, omdat dit uit coulance aan eiser is toegekend. De rechtbank volgt het Uwv in het standpunt dat eiser geen recht had op vergoeding van de over 2012 misgelopen huurtoeslag omdat hij een verzoek had kunnen indienen om de nabetalingen vanuit het Uwv buiten beschouwing te laten bij de vaststelling van de hoogte van de toeslag. [2] Het is de rechtbank evenmin als het Uwv gebleken dat eiser hierom over 2012 heeft verzocht. Het is ook niet juist dat, zoals eiser betoogt, wanneer de zorgtoeslag gecompenseerd wordt dat ook moet gelden voor de misgelopen huurtoeslag. Beide toeslagen kennen namelijk, zoals het Uwv heeft uitgelegd, een eigen methodiek en eigen grondslagen voor de vaststelling van het recht op en de hoogte van de toeslag.
Schadeclaim over 2016
9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv terecht geweigerd om eiser in aanmerking te brengen voor schadevergoeding in verband met de huurtoeslag over 2016. Zoals hiervoor al is overwogen bestaat de mogelijkheid om te verzoeken de nabetalingen buiten beschouwing te laten bij de vaststelling van de hoogte van de toeslag. Dit is in eisers geval ook gebeurd over het jaar 2016, zodat over dat jaar geen sprake is van schade door het mislopen van huurtoeslag ten gevolge van de nabetalingen.
Overige schadeposten
10. Eiser heeft het Uwv met zijn brieven van 5 januari 2023 en 15 maart 2023 verzocht om vergoeding van fiscale schade en schade vanwege het mislopen van zorgtoeslag en huurtoeslag. Ook in de bezwaarfase heeft eiser geen andere concrete schadeposten genoemd. Het primaire en het bestreden besluit houden dan ook geen beslissing in over andere schadeposten. Eiser kan met het onderhavige beroep niet bereiken dat hij alsnog een vergoeding krijgt voor schadeposten waarvoor hij eerder geen verzoek, heeft ingediend en waarover het Uwv dus ook geen beslissing heeft genomen. Overigens heeft eiser ook in de beroepsprocedure niet verduidelijkt om welke concrete “overige schadeposten” het gaat.
Catshuisregeling
11.1.
De door eiser genoemde Catshuisregeling is neergelegd in artikel 2.7 van de Wet hersteloperatie toeslagen. Ingevolge het eerste lid van dit artikel kent de Dienst Toeslagen aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel en daarvoor vóór 1 januari 2024 een aanvraag heeft ingediend ambtshalve eenmalig een forfaitair bedrag toe van € 30.000,-, met dien verstande dat dit bedrag wordt verminderd, maar niet verder dan tot nihil, met de bedragen die de aanvrager op het moment van toekenning van het forfaitaire bedrag al op grond van een herstelmaatregel heeft ontvangen.
11.2.
Niet valt in te zien op grond waarvan eiser aanspraak zou kunnen maken op eenzelfde vergoeding. De Catshuisregeling is namelijk specifiek in het leven geroepen om burgers te compenseren voor fouten die zijn gemaakt bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag. Eiser is geen gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Nog daargelaten dat een onderbouwing aan de hand van concrete feiten en omstandigheden ontbreekt van eisers stelling dat hij op vergelijkbare wijze gedupeerd is, leent de regeling zich niet voor analoge toepassing.
Verzoek deskundige
12. Niet gesteld en ook niet gebleken is dat de aan eiser toegekende bedragen aan schadevergoeding niet juist zijn berekend. Blijkens hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat het Uwv terecht geweigerd heeft eiser in aanmerking te brengen voor vergoeding van de overige door hem geclaimde schade. Zij ziet dan ook geen aanleiding voor inwilliging van eisers verzoek om een onafhankelijke deskundige in te schakelen om de werkelijk geleden vervolgschade en wettelijke rente in kaart te brengen.
Tijdigheid besluitvorming
13. Eiser komt ook niet in aanmerking voor de door hem verzochte schadevergoeding wegens niet tijdige besluitvorming. Hierbij overweegt de rechtbank dat het bestuursorgaan in geval van niet tijdige besluitvorming een dwangsom verschuldigd kan worden. Daarvoor is echter vereist dat eiser het Uwv eerst schriftelijk ingebreke had gesteld. [3] Dat heeft hij niet gedaan.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in rechte stand houdt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van
mr. P.A. Schoenmakers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie naast de door het Uwv genoemde uitspraak van 21 mei 1999, ECLI:NL:CRVB:1999:AA8695, de uitspraak van 27 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:297.
2.Op grond van artikel 2b van het Besluit op de huurtoeslag.
3.Artikel 4:17, derde lid, van de Awb.