Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:703

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
24/319
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Geheimhoudingsbeslissing
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 AwbArt. 6 EVRMArt. 47 Handvest EUArt. 85 Geneesmiddelenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geheimhoudingsbeslissing inzake beperking kennisneming melding Ivermectine-boete

De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), onderdeel van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, legde aan eiser een boete op wegens het maken van publieksreclame voor het geneesmiddel Ivermectine, dat alleen op recept mag worden verstrekt. De Minister handhaafde dit besluit na bezwaar van eiser.

De Minister verzocht de rechtbank om toepassing van artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om stukken met persoonsgegevens, waaronder een melding van 23 december 2021, geheim te houden. De Minister motiveerde dit verzoek met het belang van anonimiteit van de melder, bescherming van diens persoonlijke levenssfeer, en het voorkomen van bedreigingen aan medewerkers. Tevens werd gevraagd om beperking van kennisneming van de naam van een behandelend ambtenaar die geen rol had in de besluitvorming.

De geheimhoudingskamer van de rechtbank beoordeelde het verzoek aan de hand van het recht op een eerlijk proces en het recht op gelijke proceskansen, waarbij uitzonderingen op het recht op kennisneming alleen mogelijk zijn bij gewichtige redenen. Gelet op de aard van de informatie en het geringe belang van eiser bij kennisneming van de namen, oordeelde de kamer dat de Minister terecht geheimhouding vroeg en beperkte zij de kennisneming tot de bestuursrechter.

De tussenbeslissing werd op 5 maart 2026 in het openbaar uitgesproken door rechter H.J. Bastin, waarbij werd bepaald dat het niet-geanonimiseerde afschrift van de melding geheim blijft. Tegen deze tussenbeslissing is geen zelfstandig hoger beroep mogelijk, maar kan het worden meegenomen in hoger beroep tegen de einduitspraak.

Uitkomst: De rechtbank beperkt de kennisneming van persoonsgegevens in de stukken tot de bestuursrechter vanwege gewichtige redenen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/319
tussenbeslissing van de enkelvoudige geheimhoudingskamer van 5 maart 2026 op het verzoek tot toepassing van artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht van

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Minister

(gemachtigde: mr. S.G. ten Hertog)
in het beroep van:
[naam], uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: prof.dr. B.M.J. Van der Meulen)

Inleiding

1. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), dienst van de Minister, heeft aan eiser een boete opgelegd vanwege een overtreding van artikel 85, onder a, van de Geneesmiddelenwet. De gestelde overtreding betreft het maken van publieksreclame voor het geneesmiddel Ivermectine dat uitsluitend op recept ter hand gesteld mag worden. Bij het bestreden besluit van 10 augustus 2023 op het bezwaar van eiser is de Minister bij dit besluit gebleven.
1.1.
Bij brief van 24 februari 2026 heeft de Minister stukken ingediend met het verzoek om daarop geheimhouding ex artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toe te passen.
1.2.
De rechtbank heeft eiser de gelegenheid gegeven op het 8:29-verzoek te reageren. Eiser heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

Het verzoek om toepassing van artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht

2. De Minister merkt in de brief van 24 februari 2026 op dat de rechtbank heeft verzocht om een niet-geanonimiseerd afschrift van de melding van 23 december 2021. Een geanonimiseerd afschrift van de melding maakt reeds deel uit van de overgelegde stukken.
2.1.
De Minister motiveert het verzoek om beperking van de kennisneming als volgt.
In de eerste plaats heeft de melder aangegeven anoniem te willen blijven. In de tweede plaats kan de persoonlijke levenssfeer van de melder geschaad worden als de persoonsgegevens bekend worden. De Minister verwijst in dit verband naar bedreigingen die op ‘X’ gericht zijn aan medewerkers van de Minister in deze zaak en in vergelijkbare zaken. In de derde plaats gaat het om het behouden van een grote meldingsbereidheid. De IGJ is voor het doen van toezicht sterk afhankelijk van meldingen.
Daarnaast verzoekt de Minister ook beperking van kennisneming wat betreft de behandelaar van de melding. Het is de werkwijze van de IGJ om in zaken betreffende Covid-19 alleen de namen van de betrokken ambtenaren te delen voor zover dat noodzakelijk is. In dit geval gaat het om de naam van een medewerker van het meldpunt die geen rol heeft gespeeld in de besluitvorming.

Beoordeling door de geheimhoudingskamer

Beoordelingskader
3. In de bijlage bij deze uitspraak is de tekst van artikel 8:29 van Pro de Awb opgenomen.
3.1.
Het recht op een eerlijk proces is onder meer neergelegd in artikel 6 van Pro het EVRM en artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Ook los van deze verdragsbepalingen geldt dit recht in deze nationale procedure en omvat onder meer het recht op gelijke proceskansen. Daaruit vloeit voort dat partijen in een procedure in beginsel recht hebben op kennisneming van alle stukken uit het dossier. Dit vormt het uitgangspunt. Dat neemt niet weg dat op dit recht uitzonderingen mogelijk zijn.
3.2.
Artikel 8:29 van Pro de Awb houdt een beperking in van het recht op gelijke proceskansen. [1] Vereist is dat sprake is van gewichtige redenen. Indien die gewichtige redenen er zijn, beslist de rechter vervolgens of de gewichtige redenen geheimhouding van een stuk rechtvaardigen.
3.3.
Bij de toepassing van artikel 8:29 van Pro de Awb dient terughoudendheid te worden betracht. Alleen als de voor beperkte kennisneming aangevoerde redenen zwaarder wegen dan het belang van de andere partij bij kennisneming van de op de zaak betrekking hebbende stukken, is sprake van gewichtige redenen die beperkte kennisneming rechtvaardigen. Naast de aard en de inhoud van het stuk betrekt de geheimhoudingskamer daarbij ook de aard van de geschilpunten.
Overwegingen
4. Gelet op de motivering van het verzoek én de aard van de informatie waar het verzoek op ziet, oordeelt de geheimhoudingskamer dat de Minister zich terecht op het standpunt stelt dat de kennisneming van de namen van de melder en van de behandelend ambtenaar beperkt dient te blijven tot de bestuursrechter. De door de Minister genoemde redenen zijn gewichtig als bedoeld in het beoordelingskader. Gezien de aard van het geschil heeft eiser geen zwaarwegend belang bij de kennisneming van de namen.

Beslissing

De geheimhoudingskamer bepaalt dat beperking van de kennisneming van een niet-geanonimiseerd afschrift van de melding van 23 december 2021 gerechtvaardigd is.
Deze tussenbeslissing is gegeven door mr. H.J. Bastin, rechter in de geheimhoudingskamer, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier. De tussenbeslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze tussenbeslissing is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze tussenbeslissing?

Dit is een tussenbeslissing. Daartegen staat geen zelfstandig hoger beroep open. Als tegen de einduitspraak hoger beroep wordt ingesteld, dan kan tegelijkertijd met het hoger beroep tegen die einduitspraak hoger beroep worden ingesteld tegen deze tussenbeslissing.

Bijlage

Artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht
Partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, kunnen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of de bestuursrechter mededelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken.
Gewichtige redenen zijn voor een bestuursorgaan in ieder geval niet aanwezig, voor zover ingevolge de Wet open overheid de verplichting zou bestaan een verzoek om informatie, vervat in de over te leggen stukken, in te willigen.
De bestuursrechter beslist of de in het eerste lid bedoelde weigering onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.
Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de weigering gerechtvaardigd is, vervalt de verplichting.
Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, kan hij slechts met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van die inlichtingen onderscheidenlijk die stukken uitspraak doen. Indien de toestemming wordt geweigerd, wordt de zaak verwezen naar een andere kamer.
Inzake een beroep tegen een besluit op grond van de Wet open overheid neemt, in zo verre in afwijking van het eerste en derde lid, uitsluitend de bestuursrechter kennis van de stukken waarvan op grond van de Wet open overheid om openbaarmaking of verstrekking is verzocht. De toestemming, bedoeld in het vijfde lid, is van rechtswege verleend.

Voetnoten

1.. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1367, onder 4.