Eiser is eigenaar van een moestuin van 109 m² nabij zijn woning in de gemeente De Fryske Marren. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2023 vast op €2.000 voor het belastingjaar 2024. Eiser maakte bezwaar tegen deze waarde, stellende dat de waarde te hoog is vastgesteld vanwege een waardedrukkende heg en de agrarische aard van de grond.
De rechtbank beoordeelde het beroep en oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. De waardering is gebaseerd op vergelijkbare volkstuinpercelen in de gemeente en een eerdere verkoop uit 2010, wat de vastgestelde waarde ondersteunt.
Eiser kon de waardedruk door de heg niet aannemelijk maken en evenmin dat het perceel agrarische grond betreft die tot een lagere waarde zou leiden. Ook het standpunt dat de heffingsambtenaar onzorgvuldig heeft gehandeld, werd verworpen wegens gebrek aan feitelijke grondslag.
De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat de WOZ-beschikking in stand blijft. Eiser krijgt geen terugbetaling van griffierecht of vergoeding van proceskosten.