Eiseres, eigenaar van een geschakelde recreatiewoning uit 2010 met 36 m² gebruiksoppervlak op een perceel van 200 m², betwistte de door de heffingsambtenaar van de gemeente De Fryske Marren vastgestelde WOZ-waarde van €315.000 per 1 januari 2023.
De rechtbank beoordeelde of deze waarde te hoog was vastgesteld. De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatiematrix waarin drie referentieobjecten op hetzelfde recreatiepark werden gebruikt, waaronder een vergelijkbare woning aan een ander adres die in 2021 voor €285.000 werd verkocht. De rechtbank achtte deze onderbouwing overtuigend, mede door een indexering voor het tijdsverloop.
Eiseres stelde dat haar woning relatief klein is en minder geschikt voor gezinnen, maar de rechtbank vond dat ook kleinere woningen op het park gewild zijn en dat dit in de waardebepaling was meegenomen. Omdat eiseres niet op de zitting verscheen, maar wel tijdig was uitgenodigd, kon de rechtbank het beroep inhoudelijk beoordelen.
De rechtbank concludeerde dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. Hierdoor blijft de WOZ-beschikking in stand en krijgt eiseres geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.