Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft een boete opgelegd op grond van de Participatiewet aan eiser, die tijdens het ontvangen van bijstand gokinkomsten niet heeft gemeld aan het college. Het college stelde op basis van bankafschriften en pinopnames vast dat eiser in de periode december 2023 tot en met maart 2024 gokinkomsten had, waarop een herziening van de bijstandsuitkering en een boete volgden.
Eiser betwistte de inkomsten en de boete, maar de rechtbank oordeelde dat het college voldoende bewijs had geleverd door een zorgvuldige schatting van de gokinkomsten te maken aan de hand van bankgegevens. De onzekerheid over de exacte hoogte van de inkomsten komt voor rekening van eiser, omdat hij zijn inlichtingenplicht niet is nagekomen.
De rechtbank concludeerde dat de boete terecht is opgelegd en dat er geen dringende redenen zijn om van de boete af te zien. Ook de hoogte van de boete, die met 50% is verminderd wegens afwezigheid van opzet, is passend. Het beroep van eiser is daarom ongegrond verklaard.