De erven van de overledene zijn eigenaar geworden van een twee-onder-een-kapwoning uit 1965 en betwistten de vastgestelde WOZ-waarde van €226.000 per 1 januari 2022. Zij stelden dat de woning in een erbarmelijke staat verkeerde en dat de waarde niet hoger dan €195.000 mocht zijn. De heffingsambtenaar verwees naar een waardematrix met vergelijkbare woningen en stelde dat de waarde niet te hoog was vastgesteld.
De rechtbank beoordeelde de vergelijkbaarheid van de referentiewoningen en de toegepaste waarderingsfactoren. Hoewel de woning slecht onderhouden was, was dit reeds meegenomen in de waardering van het onderdeel onderhoud. De voorzieningen, kwaliteit en uitstraling werden door de rechtbank niet als zodanig slecht beoordeeld dat een lagere waardering dan de heffingsambtenaar gerechtvaardigd was.
De rechtbank concludeerde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. De WOZ-waarde blijft gehandhaafd op €226.000, en de erven krijgen geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.