ECLI:NL:RBNNE:2026:880

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
C/18/252068 / JE RK 26-146
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige met complexe problematiek

De zaak betreft een minderjarige met een autismespectrumstoornis, laag IQ en ernstige sociaal-emotionele en gedragsproblemen, die verblijft in een residentiële voorziening met gespecialiseerde 1-op-1 begeleiding. De Gecertificeerde Instelling (GI) verzoekt verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing tot de minderjarige achttien wordt, omdat zijn ontwikkeling nog ernstig wordt bedreigd en een passende woonplek na zijn achttiende nog niet is gevonden.

De kinderrechter heeft de stukken bestudeerd en tijdens een zitting met gesloten deuren gesproken met de minderjarige, zijn moeder en de jeugdbeschermer. De moeder en minderjarige steunen het verzoek. De kinderrechter constateert dat de minderjarige niet bij zijn moeder kan wonen vanwege zijn problematiek en dat de gespecialiseerde begeleiding bij de zorgaanbieder noodzakelijk is.

De kinderrechter oordeelt dat de wettelijke vereisten voor verlenging zijn vervuld, gezien de ernstige bedreigingen in de ontwikkeling, de noodzaak van blijvende betrokkenheid van de GI en het ontbreken van een passende woonplek na zijn achttiende. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt, ook bij hoger beroep.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige tot vlak voor zijn achttiende verjaardag en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Leeuwarden
Zaaknummer: C/18/252068 / JE RK 26-146
Datum uitspraak: 3 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Regiecentrum Bescherming en Veiligheid,
gevestigd te Leeuwarden,
hierna te noemen de GI (de Gecertificeerde Instelling),
over
[minderjarige] [achternaam],
geboren op [geboortedatum] in Smallingerland,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 26 januari 2026;
  • het toetsingsbesluit van de Raad voor de Kinderbescherming, ontvangen op 25 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- [vertegenwoordiger GI] , jeugdbeschermer, namens de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 12 maart 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 18 maart 2026.
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 3 september 2025 de machtiging verlengd om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een residentiële voorziening tot 18 maart 2026.
2.4.
[minderjarige] verblijft op grond van voornoemde machtiging bij [zorgaanbieder] in [plaats 2] .

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen tot [datum] 2026, op dat moment wordt [minderjarige] achttien. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] residentiële setting te verlengen tot [datum] 2026. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI is van mening dat [minderjarige] nog ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Er is sprake van individuele problematiek, grensoverschrijdend gedrag en aandachtproblematiek. In 2022 is er een autismespectrumstoornis bij [minderjarige] vastgesteld. Verder is er sprake van een laag IQ en is zijn gewetensontwikkeling achtergebleven. Bij spanning en stress functioneert [minderjarige] sociaal-emotioneel op het niveau van een kind van 1.5-3 jaar. De combinatie met zijn extreme interesse voor seksualiteit, messen en wapens maakt dat de GI zich grote zorgen maakt over de toekomst van [minderjarige] . Binnen en buiten de gesloten setting waren er forse incidenten. [minderjarige] is eerder weggelopen uit de gesloten setting en is recent bij [zorgaanbieder] midden in de nacht vertrokken naar de moeder, wat een wandeltocht van twee uur was. [minderjarige] overziet niet de gevaren van deze acties.
3.3.
Verder is [minderjarige] volledig afhankelijk van een omgeving die hem blijvend beschermt en ondersteunt. De GI is dan ook bezig met de aanvraag voor een curator, die [minderjarige] kan beschermen en ondersteunen in zijn volwassen leven. Ook is de Wlz-financiering toegekend voor [minderjarige] . Daarnaast volgt [minderjarige] momenteel vijf dagen per week dagbesteding op een camping in [plaats 3] waar hij 1 op 1 begeleiding krijgt en dit verloopt goed. Hier kan hij werken aan zijn ontwikkeling in een vertrouwde setting. Een passende vaste verblijfplek (voor na zijn achttiende) is voor [minderjarige] nog niet gevonden, waardoor zijn ontwikkeling onder druk blijft staan. Door zijn kwetsbaarheid is er binnen het huidige zorgaanbod geen plek die aansluit bij zijn behoeften. De GI blijft de komende maanden doorgaan met de zoektocht naar een duurzame plek.

4.De standpunten

4.1.
De moeder staat achter het verzoek. Ze vindt het fijn dat de jeugdbeschermer langer betrokken blijft om een passende woonplek voor [minderjarige] te vinden en haar te ondersteunen in zaken die geregeld moeten worden voordat [minderjarige] achttien wordt.
4.2.
[minderjarige] vindt het goed dat de jeugdbeschermer nog betrokken blijft en dat hij tot zijn achttiende bij [zorgaanbieder] blijft wonen. Hij vindt het een fijne plek en het gaat goed daar. Op termijn wil hij de begeleiding afbouwen en hij hoopt vanaf zijn 20e zonder begeleiding te kunnen.

5.De beoordeling

De ondertoezichtstelling
5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat [minderjarige] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en de betrokkenheid van de GI is langer nodig. De kinderrechter deelt de zorgen van de GI over de kwetsbaarheden van [minderjarige] en de risico's dat hij negatief beïnvloed kan worden door anderen. De kinderrechter vindt het goed om te horen dat [minderjarige] het naar zijn zin heeft bij de dagbesteding en dat hij hier de begeleiding krijgt die hij nodig heeft. Het is belangrijk dat deze dagbesteding kan worden voortgezet na zijn achttiende. Nu [minderjarige] bijna achttien wordt, is het van belang dat er zaken worden geregeld zodat hij ook daarna de juiste ondersteuning krijgt op alle levensgebieden. Daarom is het nodig dat de GI blijft om een passende woonplek te vinden waar [minderjarige] na zijn achttiende kan wonen. De kinderrechter maakt zich hierover grote zorgen. De kinderrechter ziet dat de jeugdbeschermer hard aan het werk is, maar zij is afhankelijk van de gemeente en Alliade. De kinderrechter oordeelt dat er voor zijn achttiende een plek moet komen en verwacht dat de betrokken organisaties dit tijdig regelen om [minderjarige] en zijn omgeving te beschermen.
5.3.
De concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige] zijn:
  • de zorgen over de sociaal-emotionele, seksuele en cognitieve ontwikkeling van [minderjarige] , waardoor hij niet bij de moeder kan wonen;
  • de zorgen over de individuele problematiek van [minderjarige] , zijn gewetensontwikkeling en zijn grensoverschrijdende gedrag;
  • het ontbreken van structurele en voorspelbare omgang van [minderjarige] met zijn vader.
5.4.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot [datum] 2026, nu het nodig is dat de GI zo lang als mogelijk betrokken blijft.
De machtiging tot uithuisplaatsing
5.5.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2]
5.6.
De kinderrechter stelt vast dat [minderjarige] niet bij de moeder kan wonen. Als [minderjarige] bij de moeder is, heeft hij het naar zijn zin, maar hij kan hier niet langdurig verblijven. [minderjarige] heeft op dit moment gespecialiseerde 1 op 1 begeleiding nodig. Binnen [zorgaanbieder] kan [minderjarige] dit geboden worden. Om dit verblijf te waarborgen acht de kinderrechter de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk.
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot [datum] 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een residentiële voorziening tot [datum] 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026 door
mr. J. Teertstra, kinderrechter, in aanwezigheid van de griffier, en op schrift gesteld op 12 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
fn. 1234

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.