Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:912

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
AWB_LEE_25-497
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 30a Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen proceskostenvergoeding bij WOZ-waarde niet-woning

Eiseres stelde beroep in tegen de uitspraak op bezwaar waarin de WOZ-waarde van een niet-woning was vastgesteld en de proceskostenvergoeding was toegekend. Het geschil betrof uitsluitend de hoogte van de vergoeding voor het taxatierapport en de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand.

De rechtbank oordeelde dat de vergoeding voor het taxatierapport van € 329,12 niet te laag was, omdat het object een eenvoudige kleine winkelruimte betrof zonder bijzondere complexiteit. De rechtbank volgde de heffingsambtenaar dat vier uur taxatiewerk ruimhartig was toegekend.

Ten aanzien van de vergoeding voor de rechtsbijstand verwierp de rechtbank het beroep op een hogere WOZ-factor van 0,25, omdat eiseres niet had aangetoond dat sprake was van een bijzonder geval zoals bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025. De toegepaste factor was niet te laag.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees de vergoeding van proceskosten in de beroepsfase af. Eiseres krijgt het betaalde griffierecht niet terug.

Uitkomst: Het beroep tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding wordt ongegrond verklaard en de toegekende vergoeding bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/497
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 26 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] N.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres,

(gemachtigde: [naam 1] )
en

de heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor

(gemachtigde: [naam 2] ).

Procesverloop

1. In de uitspraak op bezwaar van 19 december 2024 inzake de WOZ-waarde van het object [adres] (de niet-woning) voor het belastingjaar 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en de WOZ-waarde verlaagd naar € 167.000.
1.1.
Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
1.2.
Eiseres heeft de rechtbank bij brief van 16 januari 2026 meegedeeld dat in deze procedure enkel over de hoogte van de proceskostenvergoeding nog een geschil bestaat.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft de op de procedure betrekking hebbende stukken ingediend.
1.4.
De rechtbank doet, met instemming van partijen, op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zonder zitting uitspraak.

Overwegingen

2. In beroep is in geschil of de heffingsambtenaar aan eiseres een te laag bedrag aan proceskostenvergoeding heeft toegekend. Het gaat daarbij om twee aspecten: de vergoeding van het door eiseres in de bezwaarfase overgelegde taxatierapport en de vergoeding voor de door haar gemachtigde verleende rechtsbijstand. De rechtbank zal beide aspecten hierna afzonderlijk beoordelen.
Kostenvergoeding taxatierapport
3. Eiseres heeft in de bezwaarfase om een vergoeding voor het taxatierapport verzocht van € 740,52 (9 uur x € 68 + 21% BTW). Eiseres vindt de vergoeding van het taxatierapport van € 329,12 te weinig. Er is vier uur vergoed, terwijl haar taxateur er negen uur mee bezig is geweest. Eiseres wijst erop dat voor courante niet-woningen de richtlijn van de belastingkamers geen aanwijzing geven voor het aantal uren, omdat deze objecten te complex zijn.
3.1.
De heffingsambtenaar vindt het bedrag aan taxatiekosten van € 329,12 niet te laag. Hij is van mening dat (de taxatie van) het onderhavige object absoluut niet complex te noemen is, maar juist uitstekend vergelijkbaar is met die van een eenvoudige, kleine woning. [1] De vier uur waarmee gerekend is, is volgens de heffingsambtenaar meer dan ruimhartig.
3.2.
De rechtbank volgt de heffingsambtenaar erin dat het door hem uitgekeerde bedrag aan taxatiekosten van € 329,12 niet te laag is. Het betreft een taxatie van een zeer eenvoudige en kleine winkelruimte met twee overige kleine ruimtes. Naar het oordeel van de rechtbank is de waardering van het object niet als bewerkelijk of complex aan te merken. Ook in het betreffende taxatierapport zijn geen zaken opgenomen die wijzen op een bovengemiddelde complexiteit. De rechtbank kan het concreet op deze zaak toegespitste betoog van de heffingsambtenaar goed volgen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de heffingsambtenaar in zoverre aan eiseres een juist bedrag aan proceskostenvergoeding heeft toegekend.
Beroepsmatig verleende rechtsbijstand
4. Eiseres vindt het niet terecht dat de heffingsambtenaar de proceskostenvergoeding heeft vermenigvuldigd met 0,25 (de WOZ-factor). Zij is van mening dat de werkzaamheden voor courante niet-woningen veel complexer en bewerkelijker zijn dan een standaard zaak en dat daarom de WOZ-factor van 0,25 niet toegepast zou dienen te worden. Eiseres stelt dat sprake is van een bijzonder geval zoals bedoeld door de Hoge Raad in zijn uitspraak van 17 januari 2025. [2]
4.1.
Volgens de heffingsambtenaar is de toegepaste WOZ-factor in bezwaar van 0,25 niet te laag. De heffingsambtenaar vindt dat geen sprake is van een bijzonder geval.
Bijzonder geval?
5. Gelet op wat de Hoge Raad in zijn arrest van 17 januari 2025 heeft overwogen, moet worden beoordeeld of het geval van eiseres met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een ‘bijzonder geval’ als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2. van dat arrest. Blijkens het arrest van 17 januari 2025 rust de bewijslast dat sprake is van een ‘bijzonder geval’ op de gemachtigde. Naar het oordeel van de rechtbank heeft hij het verlangde bewijs niet geleverd. De gemachtigde heeft geen concreet (cijfermatig) inzicht gegeven in zijn bedrijfsmodel, zodat de rechtbank niet goed kan beoordelen of het bedrijfsmodel van het kantoor van de gemachtigde al dan niet het in rechtsoverweging 3.5.1. van het arrest van 17 januari 2025 bedoelde derde kenmerk heeft (“dat de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen”). Hetgeen is gesteld, namelijk dat werkzaamheden voor courante niet-woningen veel complexer en bewerkelijker zijn dan een standaard zaak, is daarvoor niet voldoende.
5.1.
Aangezien het bestreden besluit ná 1 januari 2024 is genomen en niet gebleken is dat sprake is van een bijzonder geval in de zin van artikel 30a van de Wet WOZ, had de heffingsambtenaar een vermenigvuldigingsfactor van 0,125 voor de bezwaarfase kunnen toepassen. Nu in de uitspraak op bezwaar met een factor van 0,25 is gerekend, is de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase in ieder geval niet te laag.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het door haar betaalde griffierecht
niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten in de beroepsfase.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Brekelmans, rechter, in aanwezigheid van
R.H. Wolfslag, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 26 maart 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De heffingsambtenaar verwijst in dit verband naar de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 27 februari 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ2276
2.Zie Hoge Raad 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46.