Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:913

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
AWB_LEE_24-4706
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 30a Wet WOZWet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpmStb. 2023, 507
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering WOZ-waarde en proceskostenvergoeding in beroepsfase na overeenkomst

Eiser stelde beroep in tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar inzake de WOZ-waarde van zijn woning voor het belastingjaar 2024. Tijdens de procedure werd overeenstemming bereikt over een verlaging van de WOZ-waarde naar €331.000, waarna eiser alleen nog de proceskostenvergoeding in de beroepsfase vorderde.

De rechtbank oordeelde dat artikel 30a van de Wet WOZ van toepassing is en dat eiser geen bewijs leverde dat sprake was van bijzondere omstandigheden die een hogere proceskostenvergoeding rechtvaardigen. De rechtbank baseerde zich hierbij op het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, waarin is bepaald dat de bewijslast voor een 'bijzonder geval' bij de gemachtigde ligt.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar en stelde de WOZ-waarde vast op €331.000. De proceskostenvergoeding werd berekend op basis van artikel 30a lid 2 Wet WOZ, waarbij de vergoeding van €934 werd vermenigvuldigd met de factor 0,25, resulterend in €226,75. Daarnaast werd het griffierecht van €51 aan eiser toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de WOZ-waarde wordt verminderd naar €331.000 en proceskostenvergoeding van €226,75 plus griffierecht wordt toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/4706
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 26 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: [naam 1] )
en

de heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor

(gemachtigde: [naam 2] ).

Procesverloop

1. In de uitspraak op bezwaar van 24 oktober 2024 inzake de WOZ-waarde van het object [adres] (de woning) voor het belastingjaar 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.1.
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
1.2.
Eiser heeft de rechtbank bij brief van 12 februari 2025 meegedeeld dat er overeenstemming is bereikt met de heffingsambtenaar over de verlaging van de WOZ-waarde naar € 331.000. Eiser heeft de rechtbank verzocht enkel uitspraak te doen over de vergoeding van de proceskosten in de beroepsfase.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft de op de procedure betrekking hebbende stukken ingediend.
1.4.
De rechtbank doet, met instemming van partijen, op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zonder zitting uitspraak.

Overwegingen

2. Eiser vindt dat artikel 30a van de Wet WOZ niet van toepassing is, omdat sprake is van bijzondere omstandigheden. Hij benadrukt dat dit geen standaard beroep is met tekstblokken. [1] De gemachtigde heeft in de beroepsfase opnieuw naar de zaak gekeken. Op basis van de gegevens van de taxatieverslagen van de heffingsambtenaar heeft hij de referentieobjecten beoordeeld en een uitwerking gemaakt van de prijs per eenheid. Dit laat zien dat er een ‘zaak specifieke beoordeling’ heeft plaatsgevonden. Hij is dan ook van mening dat er een redelijke tegemoetkoming in de kosten moet zijn en de WOZ-factor (van 0,25) in deze procedure niet van toepassing is.
3. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Voor de proceskosten in beroep dient volgens hem artikel 30a lid 2 van de Wet WOZ worden toegepast.
De rechtbank overweegt als volgt
4. Omdat de uitspraak op bezwaar bekend is gemaakt na 1 januari 2024, moet de hoogte van de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase worden bepaald aan de hand van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (WHpkv). [2]
Bijzonder geval?
5. Gelet op wat de Hoge Raad in zijn arrest van 17 januari 2025 heeft overwogen, moet worden beoordeeld of het geval van eiser met het oog op die proceskostenvergoeding de gemachtigde is aan te merken als een ‘bijzonder geval’ als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van dat arrest. Blijkens het arrest van 17 januari 2025 rust de bewijslast dat sprake is van een ‘bijzonder geval’ op de gemachtigde. Naar het oordeel van de rechtbank heeft hij het verlangde bewijs niet geleverd. De gemachtigde heeft geen concreet (cijfermatig) inzicht gegeven in zijn bedrijfsmodel, zodat de rechtbank niet goed kan beoordelen of het bedrijfsmodel van het kantoor van de gemachtigde al dan niet het in rechtsoverweging 3.5.1. van het arrest van 17 januari 2025 bedoelde derde kenmerk heeft (“dat de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen”). Hetgeen is gesteld, namelijk dat er een ‘zaak specifieke beoordeling’ heeft plaatsgevonden, is hierbij niet van belang. De rechtbank berekent de vergoeding van de proceskosten voor de beroepsfase daarom op basis van artikel 30a lid 2, van de Wet WOZ.
Conclusie en gevolgen
6. Omdat de overeenstemming over de WOZ-waarde hangende het beroep (zie 1.2.) heeft plaatsgevonden, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren. De rechtbank zal de WOZ-waarde verminderen naar € 331.000.
7. De hoogte van de vergoeding voor de beroepsfase van € 934 wordt vermenigvuldigd met 0,25 (artikel 30a lid 2, van de Wet WOZ). De proceskostenvergoeding bedraagt dan in totaal € 226,75. Verder dient de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51 aan eiser te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de WOZ-waarde van de woning tot een bedrag van € 331.000;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51 aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 226,75 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Brekelmans, rechter, in aanwezigheid van
R.H. Wolfslag, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 26 maart 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Eiser verwijst naar de uitspraak van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46
2.Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm), Stb. 2023, 507