ECLI:NL:RBNNE:2026:913
Rechtbank Noord-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering WOZ-waarde en proceskostenvergoeding in beroepsfase na overeenkomst
Eiser stelde beroep in tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar inzake de WOZ-waarde van zijn woning voor het belastingjaar 2024. Tijdens de procedure werd overeenstemming bereikt over een verlaging van de WOZ-waarde naar €331.000, waarna eiser alleen nog de proceskostenvergoeding in de beroepsfase vorderde.
De rechtbank oordeelde dat artikel 30a van de Wet WOZ van toepassing is en dat eiser geen bewijs leverde dat sprake was van bijzondere omstandigheden die een hogere proceskostenvergoeding rechtvaardigen. De rechtbank baseerde zich hierbij op het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, waarin is bepaald dat de bewijslast voor een 'bijzonder geval' bij de gemachtigde ligt.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar en stelde de WOZ-waarde vast op €331.000. De proceskostenvergoeding werd berekend op basis van artikel 30a lid 2 Wet WOZ, waarbij de vergoeding van €934 werd vermenigvuldigd met de factor 0,25, resulterend in €226,75. Daarnaast werd het griffierecht van €51 aan eiser toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de WOZ-waarde wordt verminderd naar €331.000 en proceskostenvergoeding van €226,75 plus griffierecht wordt toegekend.