ECLI:NL:RBOBR:2013:2857
Rechtbank Oost-Brabant
- Voorlopige voorziening
- de Koning
- Rechtspraak.nl
Intrekking drank- en horecawetvergunning wegens illegale gokactiviteiten in horecagelegenheid
Verzoeker exploiteerde een horecagelegenheid in ’s-Hertogenbosch waar op 20 juni 2013 een politieactie plaatsvond vanwege vermoedens van illegale gokactiviteiten. In een achterzaal werd gepokerd om geld, wat werd vastgesteld aan de hand van een proces-verbaal en verklaringen van betrokkenen. Verweerder, de burgemeester, trok op 27 juni 2013 de drank- en horecawetvergunning en exploitatievergunning in.
Verzoeker maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om schorsing van het besluit. De voorzieningenrechter oordeelde dat de korte termijn voor het indienen van een zienswijze geen reden was voor schorsing, omdat in bezwaar de grieven nader kunnen worden toegelicht. Ook werd geoordeeld dat het proces-verbaal voldoende aannemelijk maakte dat er om geld werd gepokerd.
Verder stelde de voorzieningenrechter vast dat verweerder op grond van artikel 31, eerste lid, onder d, van de Drank- en horecawet verplicht was de vergunning in te trekken vanwege het slechte levensgedrag van verzoeker en de vrees voor gevaar voor de openbare orde en veiligheid. Het verzoek tot voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om schorsing van de intrekking van de drank- en horecawetvergunning wordt afgewezen.