ECLI:NL:RBOBR:2013:2896

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
18 juli 2013
Publicatiedatum
15 juli 2013
Zaaknummer
839659-10
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 11 lid 1 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs voor opzettelijk telen hennep op landbouwpercelen

De rechtbank Oost-Brabant behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het opzettelijk telen en/of aanwezig hebben van ongeveer 20.350 hennepplanten op meerdere percelen landbouwgrond in de gemeente Cranendonck in september 2010.

De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 6 voorwaardelijk, terwijl de verdediging vrijspraak bepleitte. Tijdens de zittingen bleek dat verdachte slechts tot medio juli 2010 zorg had voor twee van de percelen en na de aspergeoogst geen bemoeienis meer had met de andere twee percelen. Diverse getuigen verklaarden dat verdachte geen beperkingen stelde aan bezoeken van derden aan de percelen.

De rechtbank concludeerde dat het niet wettig en overtuigend bewezen kon worden dat verdachte wist van de hennepplanten op de percelen of deze zelf had geplant. Ook was niet gebleken dat het in die periode algemeen bekend was dat hennep in aspergepercelen werd geplant, waardoor verdachte niet verplicht was deze te controleren. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van zowel het primair als subsidiair ten laste gelegde.

Daarnaast werd het inbeslaggenomen geldbedrag van €10.215,- aan verdachte teruggegeven en het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven, aangezien dit reeds op 4 april 2011 geschorst was.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat hij wist van de hennepplanten op zijn landbouwpercelen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummer: 01/839659-10 [verdachte]
Strafrecht
Parketnummer: 01/839659-10
Datum uitspraak: 18 juli 2013
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [1958],
wonende te [adres].
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 februari 2012 en 4 juli 2013.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 13 januari 2012.
Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 4 juli 2013 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:
(primair)
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 5 september 2010 tot en met 14 september 2010 (op diverse locaties) te Cranendonck en/of Budel en/of Soerendonk, gemeente Cranendonck, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk
aanwezig gehad (in totaal) ongeveer 20.350 hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (een) grote hoeveelhe(i)d(en), in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;
(artikel 3 Opiumwet Pro)
(subsidiair)
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 5 september 2010 tot en met 14 september 2010 in de gemeente Cranendonck, in elk geval in Nederland, aanwezig heeft gehad (in totaal) ongeveer 20.350 hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (een) grote hoeveelhe(i)d(en), in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a vijfde lid van die Wet.
(art 3 jo Pro 11 lid 1 Opiumwet)

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft op de gronden zoals weergegeven in haar schriftelijk requisitoir oplegging van een gevangenisstraf geëist voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en teruggave van het in beslag genomen geldbedrag aan verdachte.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft op de gronden zoals weergegeven in zijn pleitnotities vrijspraak bepleit voor zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde. Voorts heeft hij om teruggave verzocht van het in beslag genomen geldbedrag aan verdachte.

Vrijspraak.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
In de periode van 5 tot en met 14 september 2010 is in de gemeente Cranendonck op de volgende locaties een groot aantal hennepplanten aangetroffen:
  • perceel aan [adres 1] te Soerendonk, gemeente Cranendonck, ook wel genoemd [adres 2] of [adres 3];
  • perceel aan [adres 4] te Soerendonk, gemeente Cranendonck;
  • perceel aan [adres 5], nabij [adres 6], te Soerendonk, gemeente Cranendonck en
  • perceel aan [adres 7], te Soerendonk, gemeente Cranendonck.
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de eerste twee percelen in gebruik had in die zin dat hij daar het gehele jaar de zorg voor had.
Voor de laatste twee percelen aan [adres 5] had verdachte uit hoofde van een overeenkomst met [getuige 1], respectievelijk [getuige 2] de zorg tot aan het moment waarop de aspergeoogst achter de rug was, zijnde de periode van omstreeks februari 2010 tot (medio) juli 2010. De getuigen[getuige 1] en [getuige 2] verklaren in dat verband op 24 mei 2012 bij de rechter-commissaris dat verdachte met betrekking tot die percelen na de aspergeoogst geen bemoeienis meer had. [getuige 1] heeft verklaard dat hij na de aspergeoogst door verdachte de bewerking van het perceel weer op zich nam en ook [getuige 2] heeft verklaard dat na de aspergeoogst er geen verplichtingen meer over en weer waren en dat dan het bespuiten en bemesten in zijn (= [getuige 2]) opdracht gebeurde.
Voorts is uit het dossier gebleken dat diverse personen een of meerdere percelen hebben bezocht zonder dat verdachte aan die bezoeken beperkingen heeft verbonden.
Zo verklaart technisch adviseur [getuige 3] in een verhoor bij de rechter-commissaris op 24 mei 2012 dat hij een aspergerooimachine op het perceel [adres 3] heeft getest, dat hij op 10 augustus 2010 voor controle in het perceel is geweest en dat hij vrij was te gaan kijken. Aspergeplantenkweker [getuige 4] verklaart op 24 mei 2012 bij de rechter-commissaris dat hij het perceel aan [adres 4] half augustus 2010 heeft bezocht in verband met spuitschade en dat hij daarbij niet door verdachte uit een deel van het perceel is geweerd. De bedrijfsadviseur van verdachte, [getuige 5], heeft in zijn verhoor bij de rechter-commissaris op 8 juni 2012 verklaard dat hij zelf bepaalt welke percelen er worden bezocht en dat verdachte hem nooit heeft medegedeeld dat hij een bepaald perceel niet mocht bezoeken.
Voorts volgt uit een door de verdediging ter terechtzitting overgelegd expertiserapport van schade-expert [persoon 1], die blijkens het dossier onder andere op 27 juli 2010 in verband met een schadeclaim perceel [adres 4] heeft bezocht, dat bij dat bezoek naast rij 1 tot en met rij 5 ook rij 94 is onderzocht als maatmanrij.
Verdachte zelf heeft ter terechtzitting verklaard dat hij na (half) juli niet meer op de vier percelen kwam. Na half juli schoot volgens hem het loof van de aspergeplanten omhoog en was het daardoor lastig de percelen te betreden. Onkruidbestrijding was niet noodzakelijk volgens verdachte, zodat hij dat enkel in juli deed.
Ten slotte is aan de hand van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet vast te stellen dat verdachte de betreffende hennepplanten op die percelen heeft geplant of laten planten en zelf ontkent hij stelselmatig iedere betrokkenheid daarbij.
De rechtbank is op grond van al het vorenoverwogene van oordeel dat het primair en subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Het enkele feit dat de hennepplanten op vier bij verdachte in gebruik zijnde percelen zijn aangetroffen - waarbij zij opgemerkt dat ten aanzien van twee percelen geldt dat verdachte daar ingevolge de overeenkomst met [getuige 1] respectievelijk [getuige 2] na de aspergeoogst de zorg niet meer voor had - en op die percelen meer onkruid stond dan op andere aspergepercelen – in de visie van de officier van justitie omdat daar kennelijk niet tegen onkruid was gespoten om de hennepplanten niet te beschadigen – is onvoldoende bewijs voor een veroordeling. Dat verdachte op de hoogte was van het feit dat zich op genoemde percelen toen hennepplanten bevonden valt immers niet vast te stellen, terwijl verdachte er kennelijk geen problemen mee had dat derden die percelen bezochten. Het primair tenlastegelegde opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken dan wel het opzettelijk voorhanden hebben van die hennep kan dan ook niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.
Voor de subsidiair tenlastegelegde schuldvariant van het aanwezig hebben van die hennepplanten dient op grond van het vorenstaande en op grond van het feit dat niet is gebleken dat het in die periode in brede kring bekend was dat er – anders dan in bijvoorbeeld maïspercelen – hennepplanten in aspergepercelen werden gepland, eveneens vrijspraak te volgen. Verdachte had toen immers niet de plicht om zijn aspergevelden daarop te controleren.
Beslag.
De rechtbank zal de teruggave gelasten van het in het dictum nader te noemen geldbedrag aan verdachte, nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.

DE UITSPRAAK

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair en subsidiair is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag van 10.215,-- euro aan verdachte.
Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 4 april 2011 reeds geschorst.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M. Senden, voorzitter,
mr. J.G. Vos en mr. W.T.A.M. Verheggen, leden,
in tegenwoordigheid van G.A.M. de Laat, griffier,
en is uitgesproken op 18 juli 2013.