De rechtbank Oost-Brabant behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het opzettelijk telen en/of aanwezig hebben van ongeveer 20.350 hennepplanten op meerdere percelen landbouwgrond in de gemeente Cranendonck in september 2010.
De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 6 voorwaardelijk, terwijl de verdediging vrijspraak bepleitte. Tijdens de zittingen bleek dat verdachte slechts tot medio juli 2010 zorg had voor twee van de percelen en na de aspergeoogst geen bemoeienis meer had met de andere twee percelen. Diverse getuigen verklaarden dat verdachte geen beperkingen stelde aan bezoeken van derden aan de percelen.
De rechtbank concludeerde dat het niet wettig en overtuigend bewezen kon worden dat verdachte wist van de hennepplanten op de percelen of deze zelf had geplant. Ook was niet gebleken dat het in die periode algemeen bekend was dat hennep in aspergepercelen werd geplant, waardoor verdachte niet verplicht was deze te controleren. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van zowel het primair als subsidiair ten laste gelegde.
Daarnaast werd het inbeslaggenomen geldbedrag van €10.215,- aan verdachte teruggegeven en het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven, aangezien dit reeds op 4 april 2011 geschorst was.