Opposant had beroep ingesteld tegen een besluit van het UWV, maar trok dit beroep in nadat het UWV een gunstiger besluit nam. De rechtbank veroordeelde het UWV tot betaling van proceskosten met een wegingsfactor van 0,5. Opposant maakte bezwaar tegen deze wegingsfactor en stelde dat de proceshandelingen gelijkwaardig waren aan een reguliere beroepsprocedure.
De rechtbank oordeelde dat het indienen van een beroepschrift een gebruikelijke proceshandeling is en dat het intrekken van het beroep niet leidt tot een lagere wegingsfactor. De verwijzing naar de Nota van Toelichting op het Besluit proceskosten bestuursrecht betrof alleen de weging van proceskosten na intrekking, niet de reeds verrichte proceshandelingen.
De rechtbank verhoogde daarom de wegingsfactor naar 1 en verklaarde het verzet gegrond. De proceskosten werden begroot op € 1.010,50, inclusief kosten voor rechtsbijstand en medisch advies. De uitspraak werd openbaar gedaan en tegen het deel van de uitspraak over proceskosten is hoger beroep mogelijk.