Eiseres was van 1982 tot 2012 in dienst bij verweerder en werd vanaf augustus 2009 ziek. In 2012 betaalde verweerder resterende vakantie-uren uit over 2010 tot en met 2012, maar niet over 2009. Eiseres stelde dat zij in 2009 recht had op 209,6 vakantie-uren, waarvan slechts 119,2 waren opgenomen als vakantieverlof, en dat compensatieverlof niet meetelde.
Verweerder stelde dat eiseres in 2009 in de gelegenheid was vakantie op te nemen en dat resterende uren waren overgedragen naar 2010. De rechtbank verwees naar het arrest Schultz-Hoff van het Hof van Justitie, dat bepaalt dat werknemers die door ziekte hun wettelijke vakantie niet konden opnemen, recht hebben op uitbetaling van deze dagen.
De rechtbank oordeelde dat eiseres door haar ziekte halverwege 2009 niet in staat was de minimale vier weken vakantie (144 uur) op te nemen. De 119 uur opgenomen vakantie waren daadwerkelijk vakantiedagen en geen compensatieverlof. Hierdoor resteerden 25 uur die uitbetaald moeten worden. De beperking van het recht op vakantie door verdiscontering naar latere jaren werd niet aanvaard, omdat de toepasselijke CAR/UWO geen overdrachtsperiode kent.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en beval verweerder een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.