De zaak betreft een vordering van de officier van justitie tot hervatting van de verpleging van overheidswege (TBS) van een terbeschikkinggestelde die sinds 2002 onder deze maatregel valt. De verpleging was bij beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in juli 2012 voorwaardelijk beëindigd onder bepaalde voorwaarden, welke later door de rechtbank in februari 2013 onder gewijzigde voorwaarden werden verlengd.
De officier van justitie baseerde haar vordering op een rapport van de reclassering waarin werd gesteld dat de terbeschikkinggestelde onvoldoende transparant was over zijn relationele situatie en daarmee de voorwaarden had overtreden. De behandeling van de vordering werd uitgesteld in afwachting van een strafzaak tegen de terbeschikkinggestelde wegens huisvredebreuk, waarvan hij uiteindelijk werd vrijgesproken.
Tijdens de zitting op 5 september 2013 wijzigde de officier van justitie haar vordering en verzocht afwijzing van de vordering, mede vanwege het ontbreken van de deskundige van de reclassering en het ontbreken van vertrouwen in het overtreden van afspraken, maar met de wens de terbeschikkinggestelde nog een kans te geven. De rechtbank oordeelde dat de vordering tot hervatting van de verpleging van overheidswege moet worden afgewezen en handhaafde de voorwaarden van de eerdere beschikking van februari 2013.