Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[verzoekster 1], te Den Dungen, verzoekster 1
[verzoekster 2] , te Boxtel, verzoekster 2,
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Boxtel, verweerder
[vergunninghoudster], te Boxtel, vergunninghoudster
Procesverloop
Verzoekster 1 heeft onder meer de bescherming van cultuurhistorische waarden als statutaire doelstelling. Er is daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de bepalingen in het bestemmingsplan en het Verdrag van Malta niet onmiskenbaar niet strekken tot bescherming van de belangen van verzoekster 1.
Op grond van artikel 5.2 (Bouwregels) is het op of in de tot “Waarde-Archeologie” bestemde gronden niet toegestaan te bouwen, met uitzondering van: a. (…) + b. (...).
Op grond van artikel 5.3 (Afwijken van bouwregels) zijn burgemeester en wethouders bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 5.2 indien op basis van een ingesteld archeologisch onderzoek kan worden aangetoond dat ter plaatse waar gebouwd gaat worden geen archeologische waarden als zodanig aanwezig zijn. Wanneer mogelijke archeologische waarden voldoende beschermd zijn in een omgevingsvergunning, mogen archeologische onderzoekswerkzaamheden gecombineerd worden met andere werkzaamheden.
In artikel 5.4.1, aanhef en onder a, van de planregels is het verboden zonder omgevingsvergunning de bodem af te graven indien sprake is van een oppervlakte van meer dan 100 m2.
Dergelijke werkzaamheden zijn ingevolge artikel 5.4.3 van de planregels slechts toelaatbaar indien hierdoor de archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind en door de aanvrager een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde voldoende is vastgesteld. Ter voorkoming van mogelijke schade kunnen ingevolge artikel 5.4.3, onder c, van de planregels verplichtingen worden opgelegd, waaronder de verplichting van archeologische begeleiding.
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.