Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 2 oktober 2013 in de zaak tussen
[eisers], te [woonplaats], eisers
Procesverloop
Overwegingen
31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekendgemaakt vóór
1 januari 2013.
4 februari 1999). Vergunninghoudster wil omschakelen van zeugen en vleesvarkens naar enkel zeugen in emissiearme stallen. Na voltooiing bedraagt de bedrijfsomvang 158 kraamzeugen, 176 opfokzeugen, 471 guste en dragende zeugen, 2496 gespeende biggen en 2 dekberen.
9 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP7155.
27 juni 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:2570, rechtsoverweging 7.5. Ter zitting is ook gebleken dat de inrit tegenover de woning van eisers wordt gebruikt ten behoeve van brandstoftransport. Hieraan heeft verweerder ten onrechte geen aandacht besteed. Gelet op het bovenstaande is niet op voorhand duidelijk of de inrichting aan de geluidvoorschriften in de omgevingsvergunning kan voldoen noch of er een noodzaak bestond een uitzondering te maken voor de incidentele bedrijfssituatie. Verweerder heeft bovendien ten onrechte nagelaten om geluidnormen op te nemen voor de incidentele bedrijfssituatie. Dat de inrichting achteraf een onderzoeksrapport moet overleggen, leidt niet tot een ander oordeel. Integendeel, niet valt in te zien waarom verweerder dit rapport niet voorafgaand aan vergunningverlening heeft verlangd van de aanvrager. Deze beroepsgrond slaagt.
De rechtbank begrijpt hieruit dat endotoxinen zich eerder aan grof stof en fijn stof hechten, dan aan ultrafijn stof. Hierboven heeft de rechtbank overwogen dat het daarom aan eisers is om aan de hand van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten, aannemelijk te maken dat deze toetsingskaders niet toereikend zijn om onaanvaardbare risico’s voor de volksgezondheid te voorkomen. Het advies van de Gezondheidsraad is op dit punt onvoldoende. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de ABRS van 19 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA3655. Weliswaar is er nog geen toetsingskader voor ultrafijn stof, in het advies van de Gezondheidsraad kan geen indicatie worden gelezen dat de emissie van ultrafijn stof een risico voor de volkgezondheid zou kunnen hebben. Ook wat betreft andere micro-organismen die zouden kunnen worden verspreid als gevolg van het houden van varkens, ziet de rechtbank in het advies van de Gezondheidsraad geen indicatie dat hieraan risico’s voor de volksgezondheid zijn verbonden. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de Gezondheidsraad in zijn advies (paragraaf 2.5) zelf aangeeft geen uitspraken over deze risico’s te kunnen doen en de indruk te hebben dat onder reguliere omstandigheden de microbiële risico’s voor omwonenden beperkt zijn. Omdat geen sprake is van een indicatie rust in dit geval geen nadere onderzoeksplicht op het bevoegd gezag, ook niet vanwege het voorzorgsbeginsel, om te onderzoeken of de mogelijke negatieve effecten op de volksgezondheid van een zodanige ernst kunnen zijn dat hierin aanleiding is gelegen om de vergunning te weigeren, of nadere voorschriften ter voorkoming van gezondheidsrisico’s aan de vergunning te verbinden. De rechtbank ziet daarom aanleiding voor het oordeel dat in zoverre de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten, ondanks dat verweerder heeft verzuimd het aspect volksgezondheid bij de toetsing te betrekken.