ECLI:NL:RBOBR:2013:5804

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
24 oktober 2013
Publicatiedatum
22 oktober 2013
Zaaknummer
SHE-13_3399
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 WWBArt. 34, derde lid, onder c, WWBArt. 54, derde lid, aanhef en onder a, WWBArt. 8:81 AwbArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking bijstandsuitkering wegens niet melden bezit onroerend goed in Turkije

Verzoekster ontvangt sinds 9 juli 2009 een bijstandsuitkering. De gemeente Eindhoven heeft een themacontrole uitgevoerd naar bezit van onroerend goed in het buitenland. Uit onderzoek bleek dat verzoekster sinds 13 september 2011 geregistreerd staat als eigenaar van een woning in Turkije met een waarde van circa €157.721.

De gemeente heeft de uitkering ingetrokken met ingang van 13 september 2011 en beëindigd per 24 april 2013 wegens het niet melden van dit bezit, wat een schending van de inlichtingenplicht volgens artikel 17 WWB Pro vormt. Verzoekster betwist het eigendom en de waarde van de woning, maar slaagt er niet in dit aannemelijk te maken.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het onderzoek voldoende grondslag biedt voor het standpunt van de gemeente. Verzoekster heeft haar inlichtingenplicht geschonden en het vermogen overschrijdt de vermogensgrens. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de bijstandsuitkering wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
Zaaknummer: SHE 13/3399 (voorlopige voorziening)
SHE 13/3963 (beroep)

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 oktober 2013

inzake

[verzoekster],

te [woonplaats],
verzoekster,
gemachtigde mr. E. Yeniasci,
tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven,

verweerder,
gemachtigde mr. J.L.J. Martens.

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht van verzoekster op een uitkering ingevolge de Wet Werk en Bijstand (WWB) met ingang van
13 september 2011 ingetrokken en beëindigd per 24 april 2013.
Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij brief van 15 juni 2013 heeft verzoekster aan de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Bij besluit van 10 juli 2013 heeft verweerder het bezwaar, onder aanpassing van de motivering, ongegrond verklaard.
Tegen laatstgenoemd besluit heeft verzoekster op 5 augustus 2013 beroep ingesteld, geregistreerd onder het zaaknummer SHE 13/3963.
Het verzoek om voorlopige voorziening wordt ingevolge artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep.
Het verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld op de zitting van 16 oktober 2013, waar verzoekster is verschenen in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1.
Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekerster, gezien de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, in voldoende mate aannemelijk heeft gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. Aangezien tegen het besluit van 10 juli 2013 tijdig beroep is ingesteld en ook overigens geen beletselen bestaan, kan verzoekster in haar verzoek worden ontvangen.
3.
Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van Pro de Awb niet alleen uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.
4.
Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is onder meer het volgende gebleken. Verzoekster ontvangt met ingang van 9 juli 2009 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder. Om bijstandsfraude tegen te gaan heeft verweerder een themacontrole door Bureau Buitenland laten uitvoeren naar het bezit van onroerend goed in het buitenland, waar verzoekster voor was geselecteerd. Uit het onderzoeksverslag van Bureau Documenten volgt dat is gebleken dat verzoekster sinds 13 september 2011 als eigenaar staat geregistreerd van een onafhankelijke woning op het adres [adres]. De actuele waarde van deze woning is door een makelaar getaxeerd op € 370.000,00 Turkse lira, wat overeenkomt met € 157.721,00.
5.
In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat verzoekster de inlichtingenplicht uit artikel 17 van Pro de WWB heeft geschonden. Volgens verweerder heeft verzoekster ten onrechte aan verweerder niet gemeld dat zij in het bezit is van een woning met een getaxeerde waarde van € 157.721,00. Daarmee overschreed zij ruimschoots de voor haar geldende vermogensgrens. Gevolg daarvan is volgens verweerder dat de bijstandsuitkering van verzoekster vanaf de datum registratie van het onroerend goed, zijnde 13 september 2011, dient te worden ingetrokken. Ook heeft verweerder de bijstandsuitkering per 24 april 2013 beëindigd.
6.
Verzoekster kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Zij heeft betoogd dat haar broer, [broer], de oorspronkelijke eigenaar was en is van de woning op het adres [adres]. Haar broer heeft de woning destijds aan haar overgedragen om ervoor te zorgen dat de woning niet in de echtscheidingsboedel terecht kwam. De ex-echtgenoot van haar broer was namelijk voor de helft eigenaar van de woning. Verder kan verzoekster de in het rapport genoemde waarde van de woning niet bevestigen. Zij is nog steeds bijstandsbehoeftig omdat verweerder er ten onrechte vanuit gaat dat de woning van haar is.
7.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter biedt het onderzoek van Team Bijzonder Onderzoek van verweerder voldoende grondslag voor het standpunt dat verzoekster in Turkije in het bezit is van onroerend goed ter waarde van € 157.721,00 en dat dit een bestanddeel vormt van haar vermogen, waarover zij kan beschikken. Immers, volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep is op grond van het feit dat onroerende zaken in een officieel eigendomsregister op naam van een uitkeringsgerechtigde staan geregistreerd, de veronderstelling gerechtvaardigd dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover deze beschikt dan wel redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de belanghebbende om in genoegzame mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is. Verzoekster heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet met concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat zij niet (redelijkerwijs) kan beschikken over haar onroerend goed in Turkije. Voorts heeft verzoekster de gestelde waarde van de woning niet voldoende gemotiveerd betwist, zodat de voorzieningenrechter ervan uitgaat dat de waarde € 157.721,00 bedraagt. De enkele ter zitting ingenomen stelling dat de woning bij verkoop recent ongeveer 11.000,00 Turkse liras heeft opgebracht is een onvoldoende betwisting te achten.
8.
De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster geen melding heeft gedaan aan verweerder dat zij onroerend goed bezit in Turkije. Verzoekster heeft derhalve haar inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB geschonden.
9.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het vermogen van verzoekster vanaf
13 september 2011 ruimschoots hoger is dan het vrij te laten vermogen op grond van artikel 34, derde lid onder c, van de WWB. Verweerder was dan ook bevoegd op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand met ingang van
13 september 2011 in te trekken en deze per 24 april 2013 te beëindigen, alsmede het te veel betaalde terug te vorderen. Verweerder heeft naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid gebruik kunnen maken van deze bevoegdheden. De in dit kader ingenomen enkele stellingen van verzoekster dat zij in broodnood verkeert en, eerst in beroep, dat zij de zorg heeft over drie minderjarige kinderen, heeft verweerder niet hoeven te weerhouden van uitoefening van deze bevoegdheden. Voor het overige heeft verzoekster in dit kader geen omstandigheden gesteld. In het licht van het vorenstaande valt voorts niet in te zien waarvan verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 3:4 van Pro de Awb.
10.
Voor de goede orde merkt de voorzieningenrechter tot slot op dat nu het inleidend beroepschrift reeds gronden van beroep bevat, geen reden bestond om verzoekster op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb de gelegenheid te bieden het beroep aan te vullen.
11.
De voorzieningenrechter zal gelet op het vorenstaande het beroep ongegrond verklaren en voorts het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.
12.
De voorzieningenrechter ziet geen grond om een proceskostenveroordeling uit te spreken of te bepalen dat het betaalde griffierecht aan verzoekster moet worden vergoed.
13.
Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
Aldus gedaan door mr. T. van de Woestijne als voorzieningenrechter in tegenwoordigheid van mr. P. Mermer-Vardar als griffier en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2013.