Verzoeker kreeg op 15 april 2010 een scootmobiel ter beschikking gesteld door de gemeente Eindhoven op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO). Bij besluit van 17 september 2013 besloot de gemeente de scootmobiel in te nemen en geen nieuw middel te verstrekken, omdat verzoeker naar verluidt meerdere keren onder invloed van cannabis op de scootmobiel had gereden. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het intrekken van de scootmobiel een belastend besluit is en dat de gemeente de bewijslast draagt om aan te tonen dat verzoeker niet langer in aanmerking komt voor de voorziening. De urinetesten die regelmatig cannabisgebruik bij verzoeker aantoonden, zijn onvoldoende bewijs dat hij de scootmobiel onder invloed gebruikte. Ander bewijs ontbreekt.
Daarom zal het bestreden besluit naar verwachting in bezwaar geen stand houden en is er sprake van onverwijlde spoed. De voorlopige voorziening wordt toegewezen, waarbij het besluit wordt geschorst en verzoeker uiterlijk binnen een week een scootmobiel of vergelijkbaar vervoersmiddel wordt verstrekt. De voorzieningenrechter laat open of het gebruik van een scootmobiel onder invloed van cannabis op grond van de WMO tot intrekking kan leiden, maar benadrukt dat dit gebruik niet wordt aanbevolen en mogelijk strafrechtelijke gevolgen kan hebben.
Daarnaast wordt de gemeente veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van verzoeker.