Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2013:6230

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
6 november 2013
Publicatiedatum
8 november 2013
Zaaknummer
C/01/267035
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 438 lid 4 RvArt. 430 RvArt. 4:182 BWArt. 4:184 BWArt. 4:223 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Executoriale kracht van hypotheekakte tegen erfgenamen na zuivere aanvaarding nalatenschap

In deze zaak heeft de rechtbank Oost-Brabant geoordeeld over de vraag of de grosse van een hypotheekakte een executoriale titel vormt jegens erfgenamen die de nalatenschap zuiver hebben aanvaard. De hypotheekakte was gevestigd ten behoeve van eiseres, een hypotheekhouder, op een appartementsrecht dat toebehoorde aan wijlen mevrouw X. Na haar overlijden hebben haar erfgenamen, de gedaagden, de nalatenschap zuiver aanvaard.

Eiseres wenste executoriaal beslag te leggen op de grosse van de hypotheekakte wegens een restschuld van circa € 80.000 die niet kon worden voldaan uit de nalatenschap. De deurwaarder stelde een bezwaar in tegen de wijze van executie en verzocht de voorzieningenrechter hierover te oordelen. De rechtbank stelde vast dat de grosse van een notariële akte executoriale kracht kan hebben en dat de erfgenamen door de zuivere aanvaarding ook met hun eigen vermogen aansprakelijk zijn voor de schulden van de nalatenschap.

De rechtbank concludeerde dat geen wettelijke vereffening van toepassing is die de executie zou beperken en dat de hypotheekakte derhalve als executoriale titel tegen de erfgenamen kan worden gebruikt. De voorzieningenrechter bepaalde dat de grosse ten uitvoer kan worden gelegd tegen de gedaagden en verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De grosse van de hypotheekakte kan ten uitvoer worden gelegd tegen de erfgenamen die de nalatenschap zuiver hebben aanvaard.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
zaaknummer / rolnummer: C/01/267035 / KG ZA 13-555
Vonnis in kort geding ex artikel 438 lid 4 Rv Pro van 6 november 2013
in de zaak van
mr. E. van der Ploeg, kandidaat-gerechtsdeurwaarder bij Jongejan Wisseborn gerechtsdeurwaarders, gevestigd te Groningen, ten deze optredende als executerende deurwaarder voor:
ABN AMRO HYPOTHEKEN GROEP B.V.,
tevens handelende onder de naam Florius,
gevestigd te Amersfoort,
eiseres,
niet verschenen,
tegen

1.[eiser 1],

wonende te [woonplaats],
niet verschenen
2.
[eiser 2],
wonende te [woonplaats],
gedaagden,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Bij op 15 augustus 2013 ter griffie binnengekomen proces-verbaal ex art. 438 lid 4 Rv Pro (hierna: het proces-verbaal) van mr Erik van der Ploeg, als toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder werkzaam ten kantore van Hilleginus Oosting, gerechtsdeurwaarder te Groningen, (verder te noemen: de deurwaarder) is tussen genoemde partijen dit kort geding aanhangig gemaakt.
1.2.
Het proces-verbaal bevat de beschrijving van een bezwaar waarop de deurwaarder in zijn functie van executerende deurwaarder was gestuit tijdens een executie in opdracht van eiseres ten laste van gedaagden.
1.3.
Bij exploten van 14 oktober 2013 heeft de deurwaarder gedaagden en eiseres opgeroepen om op 23 oktober 2013 te 11.00 uur ter terechtzitting van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Oost-Brabant, locatie ‘s-Hertogenbosch te verschijnen.
1.4.
Bij brief van 22 oktober 2013 heeft eiseres de voorzieningenrechter bericht dat zij niet ter terechtzitting zal verschijnen en zich zal refereren aan het oordeel van de voorzieningenrechter. Hoewel deugdelijk opgeroepen, waren gedaagden niet ter zitting aanwezig.
Wel was ter zitting aanwezig de deurwaarder die zijn bezwaar heeft toegelicht.
1.5.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 14 mei 2008 is tussen eiseres en (wijlen) mevrouw [X] ten overstaan van notaris W.N.M. Broekmans, notaris te Eindhoven (hierna te noemen: de notaris), bij notariële akte (hierna: de hypotheekakte) ten gunste van eiseres het eerste recht van hypotheek gevestigd op het appartementsrecht rechtgevende op het uitsluitend gebruik van de woning [adres] te [woonplaats] (hierna: het onderpand) in verband met een eveneens op die datum door eiseres aan mevrouw [X] verstrekte geldlening groot € 209.500,00 (hierna: de geldlening).
2.2.
Mevrouw [X] is op 27 maart 2010 overleden. Gedaagden zijn haar twee zoons en enige erfgenamen. Zij hebben de nalatenschap zuiver aanvaard blijkens de akten van zuivere aanvaarding d.d. 22 juni 2010.
2.3.
Op 4 juni 2013 heeft de notaris een eerste grosse van de hypotheekakte afgegeven.
2.4.
Eiseres heeft de deurwaarder opdracht gegeven de grosse van de hypotheekakte ten laste van gedaagden door middel van executoriaal beslag ten uitvoer te leggen omdat zij in gebreke zijn met de terugbetaling van een deel van de lening. Dit betreft een restschuld van ongeveer € 80.000,00 die overbleef na verkoop van het onderpand zoals genoemd in 2.1. hiervoor en die niet meer uit de overige baten der nalatenschap kon worden voldaan.

3.Het bezwaar

3.1.
De deurwaarder vraagt zich af of de hypotheekakte een executoriale titel jegens gedaagden oplevert en de executie van de hypotheekakte op de door eiseres voorgestane wijze niet in strijd is met artikel 4:223 lid 1 van Pro het BW.
3.2.
Tegen die achtergrond verzoekt de deurwaarder de voorzieningenrechter thans om te oordelen over de vraag of op grond van de grosse van de hypotheekakte overgegaan kan worden tot executie jegens gedaagden.

4.De beoordeling

4.1.
Ingeval van twijfel over de vraag of de deurwaarder zijn ministerie moet verlenen aan de door een schuldeiser voorgestane wijze van executie kan de deurwaarder op de voet van artikel 438 lid 4 Rv Pro zich bij de voorzieningenrechter vervoegen teneinde deze in kort geding tussen betrokken partijen te doen beslissen.
4.2.
Met betrekking tot de hiervoor onder 3.1. vermelde bezwaar van de deurwaarder wordt het volgende overwogen.
4.3.
Voorop wordt gesteld dat de grosse van een notariële akte ingevolge artikel 430 Rv Pro executoriale kracht kan hebben. Vgl. HR 26 juni 1992, LJN ZC0646, NJ 1993/449 (Rabobank/Visser) alsmede HR 8 februari 2013, NJ 2013, 123 (Rabobank/Donselaar).
4.4.
Omdat eiseres de hypotheekakte wenst te gebruiken als executoriale titel om het restant van de in de hypotheekakte genoemde geldlening te executeren, heeft de hypotheekakte in zoverre executoriale kracht.
4.5.
Ingevolge artikel 4:182 volgen Pro met het overlijden van de erflater zijn erfgenamen van rechtswege op in zijn voor overgang vatbare rechten en in zijn bezit en houderschap en worden zij van rechtswege schuldenaar van de schulden van de erflater die niet met zijn dood tenietgaan.
4.6.
In het onderhavige geval zijn gedaagden van rechtswege schuldenaar geworden van de vordering die eiseres blijkens de hypotheekakte als hypotheekhouder had op wijlen mevrouw [X] als hypotheekgever.
4.7.
Ingevolge artikel 4:184 lid 1 Rv Pro kunnen schuldeisers van de nalatenschap hun vorderingen op de goederen der nalatenschap verhalen. Ingevolge het 2e lid onder a van dit artikel – voorzover hier van belang - is een erfgenaam niet verplicht een schuld der nalatenschap ten laste van zijn overig vermogen te voldoen, tenzij hij zuiver aanvaardt.
4.8.
Vast staat dat gedaagden als erfgenamen van wijlen mevrouw [X] de nalatenschap zuiver hebben aanvaard. Rechtsgevolg van zuivere aanvaarding is dat schuldeisers van de nalatenschap verhaal hebben op het eigen vermogen van de erfgenamen.
4.9.
Gelet op deze zuivere aanvaarding is geen sprake van een wettelijke vereffening als bedoeld in artikel 223 lid 1 BW Pro. De beperking genoemd in dit artikel is derhalve in het onderhavige geval niet van toepassing.
4.10.
Voorshands moet worden aangenomen dat de grosse van de onderhavige hypotheekakte een executoriale titel oplevert jegens gedaagden als erfgenamen van wijlen mevrouw [X].
4.11.
De voorzieningenrechter komt op grond van hetgeen hiervoor is overwogen tot de conclusie dat de hypotheekakte ten aanzien van gedaagden een executoriale titel oplevert en jegens hen ten uitvoer kan worden gelegd.
4.12.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenveroordeling.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
bepaalt dat de grosse van de hypotheekakte ten uitvoer kan worden gelegd tegen gedaagden,
5.2.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2013.