De rechtbank Oost-Brabant heeft op 11 december 2013 uitspraak gedaan in een zaak waarin de officier van justitie vorderde dat veroordeelde verplicht wordt tot betaling van €14.328 aan de Staat, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit bedrag is vastgesteld op basis van een financieel onderzoek door de Rijksrecherche, waarin het voordeel is berekend en opgebouwd uit diverse onderdelen.
De rechtbank oordeelt dat het voordeel is verkregen door middel van of uit de baten van het feit waarvoor veroordeelde is veroordeeld, alsmede uit een ander strafbaar feit waarvan voldoende aanwijzingen bestaan dat veroordeelde dit heeft begaan. Het financieel onderzoek omvatte onder meer contant geldbedragen en aflossing van een krediet, waarvan de rechtbank vaststelt dat deze als wederrechtelijk verkregen kunnen worden aangemerkt.
De rechtbank ziet geen reden om het te betalen bedrag te verlagen, aangezien niet aannemelijk is dat de draagkracht van veroordeelde onvoldoende is om het bedrag te voldoen. De maatregel wordt opgelegd op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. De verplichting tot betaling aan de Staat wordt hiermee definitief vastgesteld.