ECLI:NL:RBOBR:2013:6832

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
11 december 2013
Publicatiedatum
11 december 2013
Zaaknummer
01/993204-09
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verplichting tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde

De rechtbank Oost-Brabant heeft op 11 december 2013 uitspraak gedaan in een zaak waarin de officier van justitie vorderde dat veroordeelde verplicht wordt tot betaling van €14.328 aan de Staat, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit bedrag is vastgesteld op basis van een financieel onderzoek door de Rijksrecherche, waarin het voordeel is berekend en opgebouwd uit diverse onderdelen.

De rechtbank oordeelt dat het voordeel is verkregen door middel van of uit de baten van het feit waarvoor veroordeelde is veroordeeld, alsmede uit een ander strafbaar feit waarvan voldoende aanwijzingen bestaan dat veroordeelde dit heeft begaan. Het financieel onderzoek omvatte onder meer contant geldbedragen en aflossing van een krediet, waarvan de rechtbank vaststelt dat deze als wederrechtelijk verkregen kunnen worden aangemerkt.

De rechtbank ziet geen reden om het te betalen bedrag te verlagen, aangezien niet aannemelijk is dat de draagkracht van veroordeelde onvoldoende is om het bedrag te voldoen. De maatregel wordt opgelegd op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. De verplichting tot betaling aan de Staat wordt hiermee definitief vastgesteld.

Uitkomst: Veroordeelde is verplicht tot betaling van €14.328 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht
Parketnummer ontneming: 01/993204-09
Datum uitspraak: 11 december 2013
Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1968],
wonende te [adres].

Onderzoek van de zaak:

De vordering van de officier van justitie strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 14.328,- ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. In zijn requisitoir heeft de officier van justitie het bedrag van € 14.329,- gevorderd, kennelijk per abuis ten gevolge van een afrondingsverschil. De rechtbank zal bij de behandeling van de onderhavige vordering uitgaan van het bedrag dat op de vordering van 17 januari 2013 is opgenomen, te weten € 14.328,-.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 mei 2013 en 27 november 2013.

De beoordeling

De vordering is tijdig ingediend.
Op grond van de bewijsmiddelen is de meervoudige strafkamer van de rechtbank van oordeel dat [verdachte] voornoemd voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het feit terzake waarvan betrokkene is veroordeeld en van een ander strafbaar feit, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat dit feit door de veroordeelde is begaan.
In het financieel onderzoek door de Rijksrecherche, gerelateerd in een proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, afgesloten d.d. 8 september 2010, aantal doorgenummerde pagina’s: 29, wordt becijferd dat het door veroordeelde ten deze verkregen voordeel bedraagt € 14.328,-.
Dit bedrag is opgebouwd uit de volgende onderdelen:
  • Kwijtschelding in relatie tot aanleg tuin € 5124,-
  • Contant geld op 11 maart 2008 € 2000,-
  • Contant geld op 17 september 2008 € 2000,-
  • Afbetaling krediet door [naam] € 5204,-
De rechtbank is van oordeel dat gelet op de in het gewezen vonnis in de hoofdzaak
d.d. 19 januari 2011 genoemde bewijsmiddelen ten aanzien van de eerste drie hierboven genoemde onderdelen voldoende is komen vast te staan dat deze als wederrechtelijk verkregen kunnen worden aangemerkt.
Ten aanzien van het hierboven genoemde vierde onderdeel (Afbetaling krediet door [naam])
stelt de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen genoemd op de pagina’s 25-28 van voornoemd financieel onderzoek vast dat veroordeelde uit een ander strafbaar feit, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat hij dat heeft begaan, wederrechtelijk voordeel heeft genoten tot een bedrag van € 5204,-. Het totale door veroordeelde genoten wederrechtelijk verkregen voordeel komt daarmee op een bedrag van € 14.328,-.
De rechtbank ziet geen reden het te betalen bedrag lager vast te stellen dan het geschatte voordeel, aangezien niet aannemelijk is geworden dat de huidige en de redelijkerwijs te verwachten toekomstige draagkracht van veroordeelde niet toereikend zullen zijn om dit bedrag te voldoen.

Toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
€ 14.328,- (zegge: viertienduizenddriehonderdachtentwintig euro).
Legt aan [verdachte] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 14.328,- (voluit: viertienduizenddriehonderdachtentwintig euro), ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, dat hij, door middel van of uit de baten van het feit ter zake waarvan hij is veroordeeld, heeft verkregen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.W.H. Renneberg, voorzitter,
mr. S.J.W. Hermans en mr. Y. N.M. Rijlaarsdam, leden,
in tegenwoordigheid van mr. P. van Etteger-Lubbers, griffier,
en is uitgesproken op 11 december 2013.