De zaak betreft het beroep van eiser tegen de verlening van een omgevingsvergunning aan een legkippenhouderij voor het veranderen van de inrichting. De rechtbank had eerder een tussenuitspraak gedaan waarin werd vastgesteld dat de voorbereiding van het besluit onzorgvuldig was vanwege onvoldoende onderzoek naar gezondheidsrisico’s en het ontbreken van adequate hygiënemaatregelen in de vergunning.
Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak een beschrijving van hygiënemaatregelen overgelegd, die volgens hem voldoende zijn om verspreiding van ziektekiemen te voorkomen. Echter, deze maatregelen zijn niet als bindende voorschriften aan de vergunning verbonden, waardoor vergunninghoudster niet verplicht is deze na te leven.
De rechtbank oordeelt dat verweerder niet kan volstaan met verwijzing naar algemene verordeningen en de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, omdat deze niet de verantwoordelijkheid van de gemeente dekt om volksgezondheidsrisico’s buiten de inrichting te voorkomen. Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit voor zover het ontbreekt aan voorschriften ter voorkoming van volksgezondheidsrisico’s en voegt zij zelf een voorschrift toe dat de inrichting in werking moet zijn conform de beschreven hygiënemaatregelen.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Rechtbank Oost-Brabant op 31 december 2013.