De rechtbank Oost-Brabant behandelde een bestuursrechtelijke milieuzaak over een omgevingsvergunning voor de uitbreiding van een inrichting met diverse stallen. Eisers hadden beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gemert-Bakel. Na een tussenuitspraak waarin gebreken werden vastgesteld, diende verweerder een akoestisch rapport in dat moest aantonen dat aan de geluidvoorschriften werd voldaan.
De rechtbank constateerde dat de beschrijving van de representatieve bedrijfssituatie in het akoestische rapport afweek van de omschrijving in de vergunningaanvraag, met name ten aanzien van vervoersbewegingen en het lossen van propaan. Ook werd onvoldoende rekening gehouden met het gebruik van een inrit tegenover de woning van eisers, wat mogelijk tot overschrijding van geluidnormen leidt. Daarnaast was het akoestisch onderzoek onvolledig, onder meer doordat de bedrijfsduurcorrectie voor de laadlift niet juist was toegepast en het tonale geluid niet adequaat was onderzocht.
Eisers konden niet aantonen dat het toetsingspunt op de gevel onjuist was gekozen en de indirecte hinder werd niet als overschrijdend beoordeeld. De rechtbank concludeerde dat het akoestische rapport onjuist is en dat het onduidelijk blijft of de inrichting aan de geluidvoorschriften kan voldoen. Daarom werd het bestreden besluit vernietigd.
De rechtbank zag geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien of de vergunning te weigeren. Vergunninghoudster moet eerst duidelijk aangeven hoe de inrichting in werking zal worden gebracht, waarna het akoestisch onderzoek en aanvraag aangepast moeten worden. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers.