ECLI:NL:RBOBR:2013:BZ0542
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak verdachte wegens onvoldoende bewijs medeplegen poging afpersing en wederrechtelijke vrijheidsberoving advocaat
Verdachte werd verdacht van medeplegen van poging tot afpersing, afdreiging en wederrechtelijke vrijheidsberoving van een advocaat op of omstreeks 19 april 2012 in 's-Hertogenbosch. De tenlastelegging betrof het dwingen van de advocaat tot afgifte van 32.000 euro door middel van geweld, bedreiging en intimidatie.
De zaak werd aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 10 juli 2012. Tijdens het onderzoek en de terechtzittingen van 7 augustus 2012, 31 oktober 2012 en 22 januari 2013 werd vastgesteld dat de dagvaarding geldig was en de rechtbank bevoegd was. De officier van justitie eiste integrale vrijspraak vanwege het niet voldoen aan het bewijsminimum zoals vereist in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De rechtbank oordeelde dat naast de aangifte van de advocaat geen ander bewijsmiddel voldoende steun bood aan de beschuldigingen tegen verdachte. Hoewel enkele elementen mogelijk steun konden geven, waren deze onvoldoende om te voldoen aan het bewijsminimum. Daarom werd verdachte vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten. Tevens werd het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven, welke reeds op 23 april 2012 was geschorst.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs naast de aangifte.