AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Aansprakelijkheid gerechtsdeurwaarder voor niet uitbrengen appeldagvaarding en gevolgen voor schadevergoeding
Eiseres, een besloten vennootschap, stelde gerechtsdeurwaarder gedaagde aansprakelijk wegens het niet uitbrengen van een appeldagvaarding, waardoor hoger beroep niet mogelijk was. De zaak betrof een vordering van eiseres tegen derden, waarbij een bedrag van €35.000,- was betaald op basis van een overeenkomst van lastgeving tussen de bestuurder van eiseres en de derden.
De rechtbank Maastricht had de vordering van eiseres afgewezen en oordeelde dat er geen sprake was van onverschuldigde betaling, omdat de bestuurder bevoegd was om namens de vennootschap te betalen. Eiseres stelde dat de betaling onrechtmatig was en dat de gerechtsdeurwaarder had moeten onderzoeken of de betaling gerechtvaardigd was.
De rechtbank Oost-Brabant oordeelde dat de gerechtsdeurwaarder weliswaar tekortgeschoten was in de nakoming van haar opdracht, maar dat eiseres hierdoor geen schade had geleden. Dit omdat het hof in hoger beroep het vonnis van de rechtbank Maastricht waarschijnlijk zou hebben bekrachtigd. De vordering werd daarom afgewezen en eiseres werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vorderingen van eiseres worden afgewezen omdat geen schade is geleden door het niet uitbrengen van de appeldagvaarding.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Handelsrecht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
zaaknummer / rolnummer: C/01/249327 / HA ZA 12-602
Vonnis van 13 februari 2013
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats],
eiseres,
advocaat mr. A.L. Stegeman te Heerlen,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde],
gevestigd te [vestigingdplaats],
gedaagde,
advocaat mr. L.C. Dufour te Amsterdam.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 7 november 2012
- het proces-verbaal van comparitie van 17 januari 2013.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1. [eiseres] heeft bij exploot van dagvaarding van 3 november 2009 een vordering aanhangig gemaakt tegen de heer en mevrouw [A] (hierna: [A] c.s.), strekkende – kort gezegd – tot betaling van € 35.000,- met rente en kosten. Tegen de vordering is verweer gevoerd, waarna een comparitie heeft plaatsgevonden. Bij vonnis van de rechtbank Maastricht van 20 oktober 2010, 145384 / HA ZA 09-1372, zijn de vorderingen van [eiseres] afgewezen.
Teneinde van dit vonnis in hoger beroep te komen heeft [eiseres] een appeldagvaarding laten opstellen. Deze is aan [gedaagde] toegezonden met de opdracht deze aan [A] c.s. uit te brengen en daarbij acht te slaan op de lopende beroepstermijn. Na ommekomst van de beroepstermijn is gebleken dat door [gedaagde] deze opdracht niet is uitgevoerd. Het verzuim kan niet meer worden hersteld.
Bij brief van 1 februari 2011 is [gedaagde] aansprakelijk gesteld.
3. Het geschil
3.1. [eiseres] vordert samengevat – een verklaring voor recht dat [gedaagde] jegens [eiseres] toerekenbaar tekortgeschoten is en deswege aansprakelijk is voor de aan dat tekortschieten toe te rekenen schade aan de zijde van [eiseres] en veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 52.627,00, vermeerderd met rente en kosten.
3.2. [gedaagde] voert verweer.
3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
4.1. [gedaagde] heeft erkend dat zij toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de door haar aanvaarde opdracht de appeldagvaarding te betekenen. Tussen partijen is in geschil of [eiseres] hierdoor schade heeft geleden. Voor de beoordeling daarvan dient te worden beoordeeld hoe het gerechtshof in hoger beroep, als dit doorgang zou hebben gevonden, zou hebben behoren te beslissen dan wel dient het ter zake de geleden schade toewijsbare bedrag worden geschat aan de hand van de goede en kwade kansen van [eiseres] in een door haar ingestelde hoger beroep.
4.2. In de procedure tussen [eiseres] en [A] c.s. ging het onder meer om het volgende. Op 20 juli 2000 is overleden de heer [B] (hierna: [B]), die toen was gehuwd met mevrouw [C] (hierna: [C]). [B] had op 14 juli 1999 een testament laten opmaken met een fideï-commis de residuo, inhoudende een voorwaardelijke making aan zijn twee kleinkinderen [D], onder de opschortende voorwaarde van het overlijden van zijn echtgenote. Tot de nalatenschap behoorden de aandelen in [eiseres].
Na het overlijden van [B] was [C] zelfstandig bevoegd bestuurder en enig aandeelhouder van [eiseres].
[C] heeft op 3 maart 2004 een nieuw testament laten opmaken waarbij zij haar zuster C.M.L.G. Hennes-Moonen (hierna: Hennes-Moonen) tot executeur-testamentair heeft benoemd.
[C] heeft begin maart 2004 [A] c.s. verzocht een aantal rekeningen die zij had ontvangen en nog zou ontvangen, voor haar te betalen en daarbij aangekondigd dat zij voor het betalen van de rekeningen € 35.000,- zou overmaken aan [A] c.s. [A] c.s. hebben zich bereid verklaard aan dit verzoek te voldoen.
Op 10 maart 2004 hebben [A] c.s. op hun bankrekening een bedrag van € 35.000,00 bijgeschreven gekregen van de rekening van [eiseres] onder vermelding van ‘reservering voor 2 en ingen’. [A] c.s. hebben in maart en april 2004 voor [C] rekeningen voldaan tot een totaalbedrag van € 9.270,91.
[C] is op 26 maart 2004 overleden. [A] c.s. hebben op 21 mei 2004 een bedrag van € 25.729,81, als restant van het bedrag van € 35.000,00, overgemaakt op een rekening die op naam van Hennes-Moonen als executeur-testamentair was gesteld.
4.3. [eiseres] heeft aan haar vordering bij de rechtbank Maastricht ten grondslag gelegd dat het bedrag van € 35.000,00 onverschuldigd is betaald dan wel dat [A] c.s. onrechtmatig hebben gehandeld door dit bedrag niet aan [eiseres] terug te betalen. [A] c.s. hebben in die procedure verweer gevoerd. De rechtbank Maastricht heeft de vordering van [eiseres] afgewezen. Daartoe is onder meer overwogen dat uit het procesdossier niet valt af te leiden dat er onverschuldigd is betaald. Voort is overwogen dat ook als [eiseres] wordt gevolgd in haar stelling dat er onverschuldigd is betaald aan [A] c.s., voor wat betreft het aan de executeur-testamentair doorbetaalde bedrag van € 25.729,81 aan [A] c.s. een beroep op het bepaalde in artikel 6:204, lid 2 BW toekomt, en voor wat betreft het bedrag van € 9.270,19 aan [A] c.s. een beroep op verrekening toekomt. Met betrekking tot de gestelde onrechtmatige daad heeft de rechtbank Maastricht overwogen dat deze grondslag evenmin tot toewijzing van de vordering kan leiden.
4.4. Uit de dagvaarding in de onderhavige procedure volgt dat de grieven van [eiseres] tegen het vonnis van de rechtbank Maastricht zich zouden hebben gericht tegen het oordeel dat er voor de betaling van het bedrag van € 35.000,00 een rechtsgrond was, dat aan [A] c.s. een beroep op artikel 6:204, lid 2 BW toekomt, dat aan hen een beroep op verrekening toekomt en dat [A] c.s. niet onrechtmatig hebben gehandeld.
4.5. [eiseres] heeft gesteld dat uit niets volgt dat [A] c.s. schuldeisers waren van [C]. Echter op grond van hetgeen hiervoor onder 4.2 is overwogen over de afspraken die tussen [C] en [A] c.s. zijn gemaakt, moet worden vastgesteld dat tussen [C] en [A] c.s. een overeenkomst van lastgeving tot stand is gekomen, zoals ook door [A] c.s. is gesteld in de procedure voor de rechtbank Maastricht en door [eiseres] niet althans niet voldoende gemotiveerd is weersproken, en dat [C] zich in het verband van die overeenkomst tegenover [A] c.s. had verbonden tot betaling van € 35.000,00, teneinde [A] c.s. in staat te stellen rekeningen op naam van [C] te voldoen. Deze verplichting tot betaling is door [eiseres] nagekomen, blijkens haar betaling van het bedrag van € 35.000,00 onder vermelding van: ‘reservering voor 2 en ingen’. [C] moet worden geacht namens [eiseres] te hebben besloten tot het nakomen van de verbintenis van [C] tegenover [A] c.s. en zij was als bestuurder van [eiseres] bevoegd tot het doen van betalingen namens [eiseres]. Aangezien [C] schuldenaar was ten opzichte van [A] c.s. en zij tevens bestuurder van [eiseres] was, is er sprake van een situatie waarin [eiseres] moet worden geacht zich ervan bewust te zijn geweest dat de verplichting tot betaling van
€ 35.000,00 op [C] rustte en moet [eiseres] hebben beoogd aan die betalingsverplichting te voldoen. Dit blijkt ook uit de vermelding die aan de betaling is toegevoegd.
[eiseres] heeft ter onderbouwing van deze ‘grief’ gesteld dat de rechtbank Maastricht heeft miskend dat er geen vereenzelviging kan en mag plaatsvinden tussen [eiseres] en [C]. Er is echter geen sprake van vereenzelviging maar van nakoming van een verbintenis door een derde, zoals bij wet voorzien in artikel 6:30 BWPro.
De stelling van [eiseres] dat [A] c.s. moeten hebben geweten dat de betaling van [eiseres] afkomstig was, is ten deze niet relevant. Nu aan [A] c.s. het bedrag was overgemaakt dat met [C] was overeengekomen en de vermelding bij de betaling daarnaar verwees, mochten zij er vanuit gaan dat met deze betaling werd beoogd aan de betalingsverplichting van [C] te voldoen. [eiseres] kon als derde tegenover [A] c.s. bevrijdend betalen en kan tegenover [A] c.s. geen aanspraak maken op ongedaanmaking van de nakoming.
Er moet van worden uitgegaan dat het gerechtshof in hoger beroep de grief van [eiseres] tegen het oordeel van de rechtbank Maastricht dat van onverschuldigde betaling geen sprake was, ongegrond zou hebben verklaard. Aan de behandelingen van de grieven tegen het oordeel dat aan [A] c.s. een beroep op artikel 6:204, lid 2 BW toekomt en dat aan hen een beroep op verrekening toekomt, zou het gerechtshof dan niet zijn toegekomen.
Ook de grief tegen het oordeel van de rechtbank Maastricht dat [A] c.s. niet onrechtmatig hebben gehandeld, zou het gerechtshof ongegrond hebben verklaard. De onrechtmatigheid heeft er volgens [eiseres] in bestaan dat [A] c.s. verwijtbaar nagelaten hebben vragen te stellen en onderzoek te doen, zowel naar de achtergrond van de betaling van de € 35.000,00 door [eiseres] alsook naar de reden en gevolgen van de betaling van het restant van dit bedrag aan de erven [C]. Volgens [eiseres] hadden [A] c.s. een bijzondere zorgplicht om op juiste wijze om te gaan met geld dat ten laste van [eiseres] is betaald en dat eigendom van [eiseres] was.
Op [A] c.s. rustte geen bijzondere verplichting om zich nader te informeren naar de achtergrond van de betaling van € 35.000,00, afkomstig van [eiseres]. Het bedrag kwam immers overeen met het bedrag dat [C] uit hoofde van de overeenkomst van lastgeving aan hen verschuldigd was en de vermelding bij de betaling hield ook een verwijzing daarnaar in. Een plicht om te onderzoeken om welke reden dit bedrag van de rekening van [eiseres] werd voldaan en niet van de rekening van [C] en om te onderzoeken of de rechtsverhouding tussen [C] en [eiseres] een dergelijke betaling toeliet, bestond voor [A] c.s. niet. Anders dan [eiseres] heeft gesteld bestond er voor [A] c.s. tegenover [eiseres] evenmin een bijzondere zorgplicht om op andere wijze om te gaan met geld dat ten laste van [eiseres] was betaald dan zij hebben gedaan. [A] c.s. dienden tegenover [C] hun verplichtingen uit de overeenkomst van lastgeving na te komen en de omstandigheid dat de betalingsverplichting van [C] door [eiseres] is nagekomen brengt niet mee dat er aan de zijde van [A] c.s. verplichtingen tegenover [eiseres] zijn ontstaan. [A] c.s. waren gehouden ter uitvoering van de lastgevingovereenkomst rekeningen van [C] te voldoen mochten er vanuit gaan dat een eventueel restant aan haar respectievelijk haar erven zou toekomen.
4.6. De slotsom van het voorgaand is dat er van moet worden uitgegaan dat het gerechtshof in hoger beroep, indien zij over het vonnis van de rechtbank Maastricht zou hebben moeten oordelen, het vonnis in elk geval voor wat betreft de beslissing zou hebben bekrachtigd. Dit brengt mee dat [eiseres] door de toerekenbare tekortkoming van [gedaagde] geen schade heeft geleden. De vordering zal daarom worden afgewezen.
4.7. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:
5.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 3.577,00,
5.3. veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiseres] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BWPro over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,
5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2013.