ECLI:NL:RBOBR:2013:BZ4221
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- E.M.J. Raeijmaekers
- C.B.M. Bruens
- M. Senden
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs van afpersing
Verdachte werd beschuldigd van afpersing van een persoon met wie hij in het verleden samen een afpersingszaak had gepleegd. De tenlastelegging betrof het dwingen van het slachtoffer tot afgifte van een personenauto door middel van dreiging en geweld in augustus 2012.
De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van 21 maanden, waarvan 14 maanden voorwaardelijk, met een contactverbod. De verdediging voerde aan dat de beschuldigingen hoofdzakelijk gebaseerd waren op de verklaringen van het slachtoffer en diens echtgenote, zonder voldoende aanvullend bewijs.
De rechtbank oordeelde dat de ernstige dreigende uitlatingen niet wettig en overtuigend bewezen konden worden, mede omdat deze alleen door het slachtoffer en een de-auditu verklaring van zijn echtgenote werden bevestigd. Daarnaast was er geen bewijs dat verdachte de grenzen van het strafrechtelijk betamelijke had overschreden bij de overige gedragingen.
De rechtbank sprak verdachte vrij wegens gebrek aan bewijs en hief de voorlopige hechtenis op.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs van afpersing.