ECLI:NL:RBOBR:2013:BZ5147
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid rechter bij tussentijds hoger beroep in deelgeschil civiele procedure
In deze civiele procedure heeft Achmea verzocht om toestemming voor tussentijds hoger beroep tegen een beschikking van de kantonrechter in een deelgeschil. Het deelgeschil betreft een cruciale vraag over de verrekening van een voordeel uit een sommenverzekering bij schadevergoeding aan X., die gewond raakte bij een ongeval tijdens werkzaamheden.
De kantonrechter stelt vast dat de hoofdzaak inmiddels aanhangig is gemaakt bij het team Handel van de rechtbank Oost-Brabant. Op grond van artikel 1019cc lid 3 Rv. kan tegen een beschikking in een deelgeschil hoger beroep worden ingesteld mits toestemming is verleend door de rechter in eerste aanleg. De kantonrechter interpreteert dit als de rechter die de procedure ten principale behandelt.
De kantonrechter motiveert dat het doel van het uitsluiten van hoger beroep tegen tussenvonnissen is om onnodige vertraging te voorkomen. Daarom is het passend dat de rechter die de hoofdzaak behandelt, beslist over de toestemming voor tussentijds hoger beroep. Omdat Achmea de hoofdzaak bij het team Handel heeft aanhangig gemaakt, is niet de kantonrechter maar deze rechter bevoegd.
De kantonrechter verwijst de zaak naar het team Handel van de rechtbank Oost-Brabant en houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de eindbeslissing. Deze uitspraak verduidelijkt de procedurele bevoegdheid bij tussentijds hoger beroep in deelgeschilprocedures.
Uitkomst: De kantonrechter verwijst de zaak naar het team Handel van de rechtbank Oost-Brabant voor voortzetting van de procedure en beslist dat alleen deze rechter bevoegd is om toestemming te verlenen voor tussentijds hoger beroep.