ECLI:NL:RBOBR:2013:BZ6058

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
28 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
856790
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • W.M. Callemeijn
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:441 BWArt. 1:443 BWArt. 118 RvArt. 140 lid 2 RvArt. 140 lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid vordering tegen onder bewind gestelde en verstek tegen bewindvoerder

Eiseres, Lindorff Purchase B.V., vordert betaling van openstaande facturen voor mobiele telefonie van [gedaagde sub 1], die onder beschermingsbewind staat. De vordering betreft een hoofdsom, wettelijke rente en incassokosten.

De kantonrechter stelt vast dat de bewindvoerder formele procespartij is en dat eiseres deze niet aanvankelijk had gedagvaard. Op grond van artikel 118 Rv Pro wordt eiseres in de gelegenheid gesteld de bewindvoerder alsnog op te roepen. De bewindvoerder verschijnt niet, waardoor verstek wordt verleend.

De rechtbank verklaart eiseres niet-ontvankelijk in haar vordering jegens de onder bewind gestelde, wijst de vordering toe tegen de bewindvoerder en veroordeelt hem tot betaling van de hoofdsom, rente en proceskosten. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Eiseres wordt niet-ontvankelijk verklaard jegens onder bewind gestelde; bewindvoerder wordt veroordeeld tot betaling en kosten.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Kanton Eindhoven
in de zaak van:
de besloten vennootschap Lindorff Purchase B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Zwolle,
eiseres,
gemachtigde: Rosmalen Gerechtsdeurwaarders,
t e g e n
1. [gedaagde sub 1],
wonende te [plaats],
gedaagde,
procederend in persoon,
2. [gedaagde sub 2], in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van [gedaagde sub 1].
zaakdoende te [plaats],
gedaagde,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna Lindorff, [gedaagde sub 1] en de bewindvoerder genoemd worden.
1. Het verloop van het geding
Dit blijkt uit het volgende:
a. de dagvaarding met producties;
b. het mondelinge antwoord van [gedaagde sub 1] ter rolzitting van 8 november 2012;
c. de rolbeslissing van de kantonrechter ter rolzitting van 20 december 2012, waarbij Lindorff ex artikel 118 Rv Pro in de gelegenheid wordt gesteld om de bewindvoerder van [gedaagde sub 1] op te roepen tegen de rolzitting van 10 januari 2013;
d. het oproepingsexploot van 2 januari 2013;
e.het tegen de bewindvoerder verleende verstek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Het geschil
2.1. Lindorff vordert betaling van € 333,14, te vermeerderen met rente en kosten als vermeld in de dagvaarding.
Lindorff legt daaraan, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag.
[gedaagde sub 1] heeft een overeenkomst gesloten met KPN B.V dan wel met KPN Mobile The Netherlands B.V. (verder te noemen: KPN) ten aanzien van een aansluiting/meerdere aansluitingen op het mobiele telecommunicatienetwerk van KPN. Op grond van de tussen [gedaagde sub 1] en KPN bestaande overeenkomst heeft KPN een opeisbare vordering ad pro resto
€ 251,01 op [gedaagde sub 1]. KPN heeft haar opeisbare vordering verkocht en gecedeerd aan Lindorff, van welke cessie [gedaagde sub 1] schriftelijk in kennis is gesteld. Naast voormelde hoofdsom maakt Lindorff aanspraak op vergoeding van de wettelijke rente, tot en met 26 mei 2012 berekend op een bedrag van € 6,65. Omdat [gedaagde sub 1] in gebreke bleef met betalen, heeft Lindorff buitengerechtelijke incassokosten gemaakt. Op grond van de algemene voorwaarden alsmede op grond van de wet komen deze kosten ad € 75,-- voor rekening van [gedaagde sub 1].
2.2. [gedaagde sub 1] heeft aangevoerd dat zij onder bewind staat. Zij erkent de vordering, maar zij heeft aangevoerd dat zij begrijpt dat haar bewindvoerder in de gelegenheid moet worden gesteld om zich hierover uit te laten.
3. De beoordeling
3.1. Nadat [gedaagde sub 1] op de rolzitting heeft aangevoerd dat zij onder bewind staat, is de kantonrechter ambtshalve gebleken dat met betrekking tot het vermogensbeheer van [gedaagde sub 1] sprake is van een beschermingsbewind als bedoeld in titel 19 van Boek 1 BW.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:441 BW Pro eerste lid, eerste volzin, vertegenwoordigt de bewindvoerder de rechthebbende in en buiten rechte tijdens het bewind bij de vervulling van zijn taak.
3.2. Blijkens de Memorie van Toelichting op dit artikel vloeit uit voormelde bepaling en artikel 1:443 BW Pro voort dat de bewindvoerder als formele procespartij moet worden beschouwd in gedingen, de onder bewind gestelde goederen betreffende tenzij de eisende partij ten tijde van het instellen van de vordering het bewind niet kende noch behoorde te kennen.
3.3. Lindorff heeft aanvankelijk enkel [gedaagde sub 1] gedagvaard. Naar aanleiding van de rolbeslissing van 20 december 2012 heeft Lindorff de bewindvoerder alsnog in dit geding opgeroepen. De bewindvoerder is, hoewel op behoorlijke wijze gedagvaard, niet verschenen. Tegen hem zal verstek worden verleend. Nu [gedaagde sub 1] wel is verschenen, zal conform het bepaalde in artikel 140 lid 3 jo Pro. artikel 140 lid 2 Rv Pro één vonnis worden gewezen, dat ook ten aanzien van de bewindvoerder als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd.
3.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat Lindorff in haar vordering tegen [gedaagde sub 1] niet ontvankelijk moet worden verklaard.
3.5. De bewindvoerder is niet in het geding verschenen. Het gevorderde komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal op het verleende verstek worden toegewezen als na te melden.
3.6. De bewindvoerder wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure. Daartoe behoren ook de kosten van het aan [gedaagde sub 1] uitgebrachte dagvaardingsexploot, nu noch gesteld noch gebleken is dat Lindorff bij het uitbrengen van de dagvaarding op de hoogte was van het bewind. De gevorderde btw over de verschotten wordt afgewezen, omdat deze kosten niet met btw zijn belast.
4. De beslissing
De kantonrechter:
verklaart Lindorff niet-ontvankelijk in haar vordering voor zover gericht tegen [gedaagde sub 1];
veroordeelt de bewindvoerder om aan Lindorff te betalen de som van € 333,14, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 251,49 vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van voldoening;
veroordeelt de bewindvoerder in de kosten van de procedure, aan de zijde van tot heden begroot op € 173,88 (€ 97,17+ € 76,71,--) aan explootkosten, € 109,-- aan griffierecht en € 60,-- als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast);
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.M. Callemeijn, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2013.