ECLI:NL:RBOBR:2013:BZ6808
Rechtbank Oost-Brabant
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Opheffing conservatoir beslag wegens ondeugdelijke vordering in bouwschipgeschil
Brook legde conservatoir derdenbeslag onder verzekeraars en ING Bank ten laste van [eiseres] vanwege een geschil over de vertraging en oplevering van het schip Crystal, dat [eiseres] verder moest afbouwen volgens een Vessel Construction Agreement (VCA).
De vertraging in de bouw en de niet gereed zijnde geleverde componenten leidden tot discussie over betalingsverplichtingen en schadevergoedingen. Brook claimde een vordering van circa 2,8 miljoen euro wegens vertraging en gevolgschade, terwijl [eiseres] stelde dat Brook nog aanzienlijke bedragen aan haar verschuldigd was en dat de vordering summierlijk ondeugdelijk was.
Ferrum, eigenaar van een ander schip dat door [eiseres] werd gebouwd, trad als tussenkomende partij op en vorderde opheffing van beslag onder de verzekeraars vanwege haar bevoorrechte positie op grond van artikel 3:287 BW Pro.
De voorzieningenrechter oordeelde dat Brook onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat haar vordering op [eiseres] toewijsbaar was en dat zij voldoende zekerheid had door de bankgarantie en nog te betalen termijnen. Ook werd het belang van Ferrum bij opheffing van het beslag erkend. Daarom werden de conservatoire beslagen opgeheven en Brook veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De conservatoire beslagen worden opgeheven wegens summierlijke ondeugdelijkheid van de vordering en onvoldoende belang bij handhaving.