ECLI:NL:RBOBR:2013:BZ8301

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
4 april 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
AWB 12 / 1802
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 Wet WOZArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing proceskostenvergoeding voor taxatiematrix bij WOZ-waarde bezwaar

Verweerder stelde de WOZ-waarde van een woning vast op €1.036.000 voor het belastingjaar 2012. Eiser maakte bezwaar tegen deze vaststelling, dat werd afgewezen. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht om vergoeding van proceskosten voor een taxatiematrix opgesteld door een geregistreerde WOZ-taxateur.

De rechtbank oordeelde dat de taxatie van de woning niet complex was en dat de door eisers gemachtigde ingediende beroepschrift al inhoudelijke, taxatie-technische argumenten bevatte en was ondertekend door een WOZ-taxateur. De rechtbank concludeerde dat de kosten voor de taxatiematrix door een tweede WOZ-taxateur niet redelijkerwijs noodzakelijk waren.

De rechtbank verwees naar een arrest van de Hoge Raad waarin is bepaald dat de vergoeding voor taxatierapporten wordt vastgesteld op een maximumtarief en dat de aard van het te taxeren object bepalend is voor de vergoeding. Omdat de gemachtigde van eiser zelf voldoende deskundig was, was het inschakelen van een tweede WOZ-taxateur niet gerechtvaardigd.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees zij het verzoek om proceskostenvergoeding af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend voor de taxatiematrix.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
bestuursrecht
zaaknummer: AWB 12/1802
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 april 2013 in de zaak tussen
[eiser], te Eindhoven, eiser
(gemachtigde: J. de Jong),
en
gemeente Eindhoven Het hoofd van de sector Publiekszaken, verweerder
(gemachtigde: B. de Smit).
Procesverloop
Verweerder heeft bij beschikking krachtens artikel 22 van Pro de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] (hierna: de woning), per waardepeildatum 1 januari 2011, voor het belastingjaar 2012, vastgesteld op € 1.036.000.
Bij besluit van 9 mei 2012 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 december 2012. Namens eiser is niemand verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek aangehouden in afwachting van nadere informatie van eiser.
Op 5 februari 2013 heeft de rechtbank de gevraagde nadere informatie van eiser ontvangen. Beide partijen hebben vervolgens schriftelijke toestemming gegeven dat een nadere zitting achterwege kan blijven. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ziet de rechtbank zich in dit beroep uitsluitend gesteld voor de vraag of er aanleiding is voor een vergoeding van de kosten, die eiser in bezwaar heeft gemaakt voor de door eisers gemachtigde overgelegde taxatiematrix van [bedrijf] ten bedrage van € 208,25.
2. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
3. Ingevolge art. 8:75, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) komen voor een proceskostenveroordeling in aanmerking de kosten die een partij redelijkerwijs heeft moeten maken. Hiervoor geldt een dubbele redelijkheidstoets: niet alleen de kosten zelf moeten redelijk zijn, maar ook het maken van de kosten als zodanig. In de wetsgeschiedenis is hierover opgemerkt: 'In de woorden 'redelijkerwijs heeft moeten maken' wordt tot uitdrukking gebracht dat niet slechts de kosten zelf redelijk moeten zijn om voor vergoeding in aanmerking te komen, maar ook dat het inroepen van rechtsbijstand redelijk moet zijn geweest.' (MvT, Kamerstukken II 1991/92, 22495, nr. 3, blz. 154).
4. In zijn arrest van 13 juli 2012 (LJN: BX0904) heeft de Hoge Raad overwogen dat de vergoeding voor een door een deskundige opgesteld taxatieverslag in verband met een bezwaar- of beroepsprocedure over de waardering van een onroerende zaak in het kader van de Wet WOZ, volgens de toepasselijke regels wordt vastgesteld naar een tarief van ten hoogste € 81,23 per uur naar gelang de werkzaamheden niet of in meer of mindere mate van wetenschappelijke of bijzondere aard zijn.
In het algemeen moet worden aangenomen dat de werkzaamheden van een WOZ-taxateur niet van wetenschappelijke aard zijn. Wel behoren diens werkzaamheden te worden aangemerkt als ‘van bijzondere aard’. De mate waarin daarvan sprake is, wordt vooral bepaald door de aard van de te taxeren onroerende zaak. De Hoge Raad heeft voorts overwogen dat met het oog op de uitvoerbaarheid uitsluitend de aard van de onroerende zaak als maatstaf in aanmerking moet worden genomen en dat geen rekening dient te worden gehouden met andere factoren, zoals de mate van deskundigheid van de taxateur.
Eisers gemachtigde heeft aangegeven dat hij eiser in de beroepsfase heeft geadviseerd om een taxatiematrix door een geregistreerd WOZ-taxateur te laten opmaken om zijn stelling middels een onpartijdig rapport te kunnen onderbouwen. Daarbij heeft de gemachtigde aangegeven dat hij geen geregistreerd WOZ-taxateur is en zich alleen bezig houdt met de juridische kant van het beroep en niet met de taxatie-technische beoordeling.
5. De rechtbank stelt vast dat het onderhavige object (een woning) van dien aard is dat de taxatie daarvan niet complex is. Voorts heeft eisers gemachtigde in het door hem ingediende beroepschrift inhoudelijke, taxatie-technische argumenten aangevoerd en heeft hij het beroepschrift ondertekend als woz-taxateur. Gelet op deze feiten en omstandigheden en met inachtneming van voornoemde overwegingen van de Hoge Raad oordeelt de rechtbank dat de kosten die betrekking hebben op de taxatiematrix door een afzonderlijke geregistreerde WOZ-taxateur niet kunnen worden aangemerkt als kosten die de belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken. Eisers gemachtigde is kennelijk zelfstandig in staat om een voldoende inzichtelijke taxatie op te stellen. De enkele omstandigheid dat eisers gemachtigde niet is geregistreerd als WOZ-taxateur rechtvaardigt in het onderhavige geval, mede gelet op de geringe complexiteit van de taxatie, redelijkerwijs niet de inschakeling van een tweede WOZ-taxateur, die wel als zodanig is geregistreerd.
6. Gelet op het bovenstaande is het beroep ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.M.H. de Koning, rechter, in aanwezigheid van drs. J.A. Meijer-Habraken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 april 2013.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.