In deze bestuursrechtelijke zaak gaat het om een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een bouwwerk, het vellen van een houtopstand en het wijzigen van een uitweg. Eisers brachten zienswijzen in bij een eerdere vrijstellingsprocedure en maakten bezwaar tegen de omgevingsvergunning, maar deden dit niet tijdig. De rechtbank moest beoordelen of de termijnoverschrijding verschoonbaar was.
De rechtbank oordeelde dat de omgevingsvergunning niet volgens de uitgebreide voorbereidingsprocedure was voorbereid, maar dat dit niet betekent dat eisers recht hadden op een mededeling over het besluit op grond van artikel 3:43 AwbPro. Eisers hadden al een mededeling ontvangen in de vrijstellingsprocedure en de wet verplichtte niet tot aanvullende mededelingen. Bovendien hadden eisers door publicatie in het gemeentelijke weekblad kennis kunnen nemen van het besluit.
De rechtbank verwierp het verweer dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was vanwege vakantie of onvoldoende informatie van de gemeente. Daarom werd het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het bezwaarschrift van eisers wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-tijdige indiening; het bestreden besluit wordt vernietigd.
Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 13/387
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2013 in de zaak tussen
[eiser 1], [eiser 2] en de erven van [eiser 3] te Deurne, eisers
(gemachtigde: M.J.E. Driessen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Deurne, verweerder
(gemachtigde: mr. F.P.G. Ricken-Cleven).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [vergunninghouder] te Deurne, vergunninghouder, gemachtigde mr. F.K. van den Acker.
Procesverloop
Bij besluit van 20 juli 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder voor het perceel [adres] te Deurne ([perceel]) een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten “het bouwen van een bouwwerk”, “een houtopstand te vellen of te doen vellen” en “een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen”.
Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 7 september 2012 bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 13 december 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en het besluit van 20 juli 2012 gehandhaafd.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2013. [eiser 1] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De overige eisers zijn verschenen bij gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1.1 De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.2 Bij besluit van 19 april 2011 heeft verweerder aan vergunninghouder een vrijstelling verleend ingevolge artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) voor de bouw van een vrijstaande woning aan de [straat]. Dit besluit is voorbereid met afdeling 3.4 van de Awb. Eisers hebben in deze procedure zienswijzen naar voren gebracht. Het besluit is aan de gemachtigde van eisers toegezonden op 28 april 2011.
1.2 Vergunninghouder heeft op 4 juni 2012 een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning ingediend. De in geschil zijnde omgevingsvergunning is op 20 juli 2012 aan de aanvrager verzonden. De omgevingsvergunning is gepubliceerd in het Weekblad voor Deurne van 26 juli 2012 met de volgende tekst: “Verleende omgevingsvergunningen reguliere procedure. De vermelde datum is de datum van verzending van het besluit aan de aanvrager. (..) [adres], bouwen woning (20-7-2012);” De omgevingsvergunning is niet aan eisers toegezonden.
1.3 Bij mailbericht van 3 september 2012, na afloop van de bezwaartermijn op 31 augustus 2012 heeft verweerder de gemachtigde van eisers bericht dat de omgevingsvergunning is verleend op bovengenoemde datum.
1.4 De rechtbank heeft op 4 september 2012 het door eisers ingediende pro forma beroepschrift ontvangen en als bezwaarschrift aan verweerder doorgezonden.
1.5 Na het instellen van beroep is [eiser 3] overleden. [dochter] in haar hoedanigheid van vertegenwoordiger van ‘beheerder van de [Familie], eigenaren van [adres 2] te Deurne’ heeft een volmacht tot vertegenwoordiging aan gemachtigde afgegeven.
2. In het bestreden besluit heeft verweerder, conform het advies van de gemeentelijke bezwaarschriftencommissie het bezwaarschrift van eisers ontvankelijk verklaard en ongegrond verklaard.
3.1 Verweerder heeft in het verweerschrift aangegeven dat eiser [eiser 3] is overleden en dat zijn dochter [dochter] niet als belanghebbende kan worden aangemerkt omdat zij in Arnhem woont.
3.2 Ter zitting is desgevraagd door de gemachtigde van eisers aangegeven en door verweerder en vergunninghouder niet weersproken dat [dochter] rechthebbende is op het perceel [adres 2] te Deurne. Daarnaast heeft de rechtbank geen aanleiding voor twijfel dat de eigenaren van het perceel [adres 2] [dochter] hebben gemachtigd tot het verstrekken van een volmacht tot vertegenwoordiging aan de gemachtigde van eisers. Verder heeft de rechtbank vastgesteld dat het perceel [adres 2] grenst aan het perceel [adres] van vergunninghouder. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de erven van [eiser 3] reeds daarom een rechtstreeks betrokken belang en kunnen zij als belanghebbende in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden aangemerkt. De omstandigheid dat [dochter] in Arnhem woont, leidt niet tot een ander oordeel.
5.1 Eisers hebben na het indienen van de bezwaartermijn beroep ingesteld bij de rechtbank. Op grond van artikel 6:15, derde lid, van de Awb is het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan (de rechtbank) bepalend voor de vraag of het bezwaarschrift tijdig is ingediend. Nu het bezwaarschrift aldus op 4 september 2012 geacht wordt bij verweerder te zijn ingediend hebben eisers niet tijdig bezwaar gemaakt. Gelet op het bepaalde in artikel 6:11 vanPro de Awb blijft een niet-ontvankelijk verklaring achterwege indien sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder terecht heeft aangenomen dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.
5.2 Verweerder heeft in dit verband overwogen dat eisers in het voortraject, in het kader van de uitgebreide voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb die is gevolgd voor de gevraagde vrijstelling ex artikel 19, tweede lid, van de WRO, zienswijzen hebben ingediend. Omdat verweerder heeft verzuimd de omgevingsvergunning aan eisers toe te zenden zoals volgens verweerder is vereist op basis van artikel 3:43 vanPro de Awb, is de termijnoverschrijding verschoonbaar, aldus verweerder.
5.3 Eisers hebben hieraan toegevoegd dat zij voorafgaand aan de verlening van de omgevingsvergunning op 18 juli 2012 contact hebben gehad met verweerder waarbij verweerder heeft gemeld dat het plan op 19 juli 2012 nog zou worden voorgelegd aan de gemeentelijke welstandscommissie. Op 20 juli 2012 zijn stukken doorgezonden aan de gemachtigde van eisers zonder vermelding dat de vergunning was verleend en daarop zou worden gepubliceerd. Volgens eisers stond beroep open tegen de destijds verleende vrijstelling gelijk met de omgevingsvergunning en had het op de weg van verweerder gelegen om eisers afzonderlijk te informeren. Publicatie heeft bovendien plaatsgevonden tijdens de vakantie van eisers.
5.4 Volgens vergunninghouder zijn eisers ten onrechte ontvangen in hun bezwaren tegen de verleende omgevingsvergunning.
5.5 Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb vindt bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. Ingevolge artikel 3:43, eerste lid, van de Awb, wordt tegelijkertijd of zo spoedig mogelijk na bekendmaking van het besluit mededeling gedaan aan degenen die bij de voorbereiding ervan hun zienswijze naar voren hebben gebracht.
5.6 Ingevolge artikel 1.5b, eerste en tweede lid, van de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Invoeringswet Wabo), wordt een vrijstelling ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO, die 1 oktober 2010 is aangevraagd en nadien is verleend, gelijkgesteld met een beschikking van het bevoegd gezag met betrekking tot de eerste fase van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van die wet. Ingevolge 1.5b, derde lid, in samenhang met artikel 1.5a, van de Invoeringswet Wabo is op de voorbereiding van de beschikking tot de tweede fase van de omgevingsvergunning de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing en wordt voor de mogelijkheid van beroep de beschikking met betrekking tot de eerste fase van een omgevingsvergunning met de beschikking met betrekking tot de tweede fase van die omgevingsvergunning als één besluit aangemerkt.
5.7 Het primaire besluit is, in strijd met artikelen 1.5a en 1.5b van de Invoeringswet Wabo niet voorbereid met toepassing van de uitgebreide voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb maar met toepassing van de reguliere procedure. Dit maakt echter niet dat de omstandigheid dat eisers hun zienswijze naar voren hebben gebracht in kader van de vrijstellingsprocedure, tot gevolg heeft dat aan eisers in kader van de procedure tot verlening van de omgevingsvergunning een mededeling als bedoeld in artikel 3:43, eerste lid, van de Awb had moeten worden gedaan.
In de eerste plaats hebben eisers reeds een mededeling als bedoeld in artikel 3:43, eerste lid, van de Awb, ontvangen in de vrijstellingsprocedure en heeft verweerder in dat kader aan zijn verplichtingen voldaan.
Bovendien verplicht de Wabo, in het bijzonder artikel 2.5 van deze wet, verweerder niet om degenen die zienswijzen hebben aangevoerd in kader van een met afdeling 3.4 van de Awb voorbereide beschikking met betrekking tot de eerste fase van een omgevingsvergunning, mededeling te doen van de beschikking met betrekking tot de tweede fase van de omgevingsvergunning, dan wel mededeling te doen van de terinzagelegging van de ontwerpbeschikking met betrekking tot de tweede fase. Een dergelijke verplichting bestond evenmin op basis van artikel 56a van de Woningwet zoals deze gold tot 1 oktober 2010.
Verder kunnen eisers evenmin een recht op een mededeling als bedoeld in artikel 3:43, eerste lid, van de Awb ontlenen aan de passage in artikel 1.5b, derde lid, in samenhang met artikel 1.5b, vierde lid, van de Invoeringswet Wabo, op basis waarvan voor de mogelijkheid van beroep de vrijstelling die is gelijkgesteld met een beschikking met betrekking tot de eerste fase van een omgevingsvergunning met de beschikking met betrekking tot de tweede fase van die omgevingsvergunning als één besluit wordt aangemerkt. Ook onder het oude recht werden een projectbesluit en een bouwvergunning voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Awb als één besluit aangemerkt ingevolge artikel 46, zesde lid, van de Woningwet, zoals deze gold tot 1 oktober en daarvoor op grond van artikel 49 vanPro de Woningwet zoals deze gold tot 1 juli 2008. Voornoemde passage heeft slechts tot gevolg dat in een beroepsprocedure tegen een verleende bouwvergunning respectievelijk een beschikking met betrekking tot een omgevingsvergunning tweede fase, gronden tegen de daarvoor verleende vrijstelling kunnen worden aangewend. Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet dat de wetgever met voornoemde passage in de Invoeringswet Wabo, tevens heeft bedoeld dat mededeling aan personen die zienswijzen hebben ingebracht in kader van de vrijstellingsprocedure van de beschikking omtrent de tweede fase dient te worden gedaan, dan wel het voornemen daartoe.
5.8 In de omstandigheid dat een ambtenaar in dienst van verweerder de gemachtigde van eisers in een telefoongesprek van 18 juli 2012 niet heeft verteld dat het primaire besluit zou worden verleend op 19 juli 2012, ziet de rechtbank geen aanleiding om de termijnoverschrijding van eisers verschoonbaar te achten. Uit de door eisers geschetste gang van zaken, die door verweerder ter zitting is bevestigd, kan de rechtbank niet afleiden dat verweerder bij de gemachtigde van eisers de indruk heeft gewekt dat de vergunning niet op 19 juli 2012 zou kunnen worden verleend. Zoals hierboven is overwogen rustte op verweerder geen wettelijke verplichting om eisers te informeren. Dat verweerder de gemachtigde van eisers op 20 juli 2012 nog heeft gemaild en het bestaan van het primaire besluit hierin niet heeft vermeld, leidt reeds daarom niet tot een ander oordeel.
5.9 Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat eisers als gevolg van de publicatie in het gemeentelijke weekblad op de hoogte hadden kunnen zijn van de verlening van het primaire besluit en het moment van de verzending daarvan. De publicatie voldoet aan de, in de Awb en Wabo gestelde eisen. Niet valt in te zien dat de omstandigheid dat het primaire besluit is verleend en gepubliceerd in een vakantieperiode leidt tot verschoonbaarheid. Het is aan eisers om in geval van tijdelijke afwezigheid de nodige maatregelen te nemen. Dat de gemachtigde van eisers het gemeentelijk weekblad niet ontvangt, komt eveneens voor rekening van eisers.
6. De rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel dat verweerder eisers ten onrechte heeft ontvangen in hun bezwaren. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen, zelf in de zaak voorzien en het bezwaarschrift van eisers niet ontvankelijk verklaren en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
7. De rechtbank ziet wel aanleiding verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 472,- en een wegingsfactor 1), te vermeerderen met de door eisers gemaakte reiskosten van € 37,20. Ook zal de rechtbank bepalen dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht vergoed.
Beslissing
De rechtbank,
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- verklaart het bezwaarschrift tegen het primaire besluit niet ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 981,20, te betalen aan eisers;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 156,00 aan eisers te vergoeden
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F.M. Emons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2013.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.