ECLI:NL:RBOBR:2013:CA2164
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bewijsopdracht en bewijslevering in procedure over voortzetting vennootschap onder firma na overlijden en uittreding vennoten
In deze civiele procedure staat centraal of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat zijn verweer in een eerdere procedure over de voortzetting van een vennootschap onder firma na het overlijden van een vennoot en de uittreding van een andere vennoot zou zijn gehonoreerd.
De Hoge Raad had eiser opgedragen aannemelijk te maken dat zijn verweer in de eerdere procedure zou zijn geslaagd, waarbij andere eisen golden dan in die eerste procedure. Eiser bracht notariële verklaringen in, waarin werd gesteld dat hij sinds 1 januari 1986 geen vennoot meer was en dat de vennootschap werd voortgezet door de overige vennoten.
Gedaagde betwistte de overtuigingskracht van deze verklaringen en stelde dat eiser onvoldoende bewijs leverde. De rechtbank oordeelde echter dat op basis van de beschikbare feiten en de notariële verklaringen aannemelijk is dat eiser's verweer in de eerdere procedure zou zijn gehonoreerd. De rechtbank stond gedaagde toe een contra-enquête te houden en bepaalde verdere procedurele stappen.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat zijn verweer in de eerdere procedure zou zijn gehonoreerd en staat gedaagde toe tot contra-enquête.