ECLI:NL:RBOBR:2013:CA3567

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
1 mei 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
01/825049-12
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 14d Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gevangenisstraf voor ontucht met minderjarige adoptiefdochter

De rechtbank Oost-Brabant heeft verdachte, stiefvader en adoptievader van het slachtoffer, veroordeeld voor meervoudige ontuchtige handelingen met zijn minderjarige adoptiefdochter in de periode van 2010 tot 2012. De tenlastelegging betrof onder meer het verschuiven van kleding, betasten van borsten en vagina, en het laten betasten van zijn penis door het slachtoffer.

De rechtbank sprak verdachte vrij van de primaire tenlasteleggingen wegens onvoldoende bewijs, maar achtte het subsidiaire feit wettig en overtuigend bewezen. Zowel het slachtoffer als verdachte hebben wisselende verklaringen afgelegd, maar de rechtbank achtte deze verklaringen betrouwbaar en niet onbetrouwbaar. Verdachte erkende sommige handelingen, maar betwistte het ontuchtige karakter.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 386 dagen op, waarvan 200 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en reclasseringstoezicht. De straf weerspiegelt de ernst van het misbruik, het vertrouwen dat werd geschonden en de kwetsbare positie van het slachtoffer. De rechtbank vond ambulante behandeling niet noodzakelijk gezien de reeds bestaande begeleiding.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 386 dagen gevangenisstraf waarvan 200 dagen voorwaardelijk met reclasseringstoezicht wegens ontucht met minderjarige adoptiefdochter.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Strafrecht
Parketnummer: 01/825049-12
Datum uitspraak: 01 mei 2013
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
wonende te [woonplaats], [adres].
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 1 mei 2012, 25 juli 2012 en 17 april 2013.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 28 maart 2012.
Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 17 april 2013 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:
1.
hij meermalen, althans eenmaal in of omstreeks de periode van 1 januari 2010
tot en met 15 februari 2011 te Geldrop en/of Eindhoven, (telkens) met [slachtoffer 1], geboren op [1999], die toen de leeftijd van
twaalf jaren nog niet had bereikt, (telkens) een of meer handeling(en) heeft
gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel
binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], hebbende verdachte (telkens)
- de (onder)kleding van voornoemde [slachtoffer 1] verschoven en/of
- de borsten en/of vagina van voornoemde [slachtoffer 1] betast en/of
- zijn, verdachtes, penis laten betasten door voornoemde [slachtoffer 1] en/of
zijn, verdachtes, vinger(s) in/tegen de schaamstreek en/of in/tegen de vagina
en/of schaamlippen van voornoemde [slachtoffer 1] gebracht en/of
- voornoemde [slachtoffer 1] een tongzoen gegeven en/of
- voornoemde [slachtoffer 1] toegestaan om hem, verdachte, een tongzoen te geven;
(artikel 244 van Pro het Wetboek van Strafrecht)
Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij meermalen, althans eenmaal in of omstreeks de periode van 1 januari 2010
tot en met 15 februari 2011 te Geldrop en/of Eindhoven (telkens) ontucht heeft
gepleegd met zijn minderjarige dochter, [slachtoffer 1],
geboren op [1999], bestaande die ontucht hierin dat hij, verdachte
(telkens)
- de (onder)kleding van voornoemde [slachtoffer 1] heeft verschoven en/of
- de borsten en/of vagina van voornoemde [slachtoffer 1] heeft betast en/of
- zijn, verdachtes penis heeft laten betasten door voornoemde [slachtoffer 1] en/of
zijn, verdachte, vinger(s) tegen de schaamstreek en/of tegen de vagina en/of
schaamlippen van voornoemde [slachtoffer 1] heeft gebracht en/of
- voornoemde [slachtoffer 1] een tongzoen gegeven en/of
- voornoemde [slachtoffer 1] toegestaan om hem, verdachte, een tongzoen te geven;
(artikel 249 van Pro het Wetboek van Strafrecht)
2.
hij meermalen, althans eenmaal in of omstreeks de periode van 16 februari 2011 tot
en met 21 januari 2012 te Eindhoven,althans in Nederland, (telkens) met
[slachtoffer 1], geboren op [1999], die de leeftijd
van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt,
een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of
mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die
[slachtoffer 1], hebbende verdachte (telkens)
- de (onder)kleding van voornoemde [slachtoffer 1] verschoven en/of
- de borsten en/of vagina van voornoemde [slachtoffer 1] betast en/of
- zijn, verdachtes, penis laten betasten door voornoemde [slachtoffer 1] en/of
zijn, verdachtes, vinger(s) in/tegen de schaamstreek en/of in/tegen de vagina
en/of schaamlippen van voornoemde [slachtoffer 1] gebracht en/of
- voornoemde [slachtoffer 1] een tongzoen gegeven en/of
- voornoemde [slachtoffer 1] toegestaan om hem, verdachte, een tongzoen te geven;
(artikel 245 Wetboek Pro van Strafrecht)
Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij meermalen, althans eenmaal in of omstreeks de periode van 16 februari 2011
tot en met 21 januari 2012 te Eindhoven (telkens) ontucht heeft gepleegd met
zijn minderjarige dochter, [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] 1999, bestaande die ontucht hierin dat hij, verdachte (telkens)
- de (onder)kleding van voornoemde [slachtoffer 1] heeft verschoven en/of
- de borsten en/of vagina van voornoemde [slachtoffer 1] heeft betast en/of
- zijn, verdachtes penis heeft laten betasten door voornoemde [slachtoffer 1] en/of
zijn, verdachte, vinger(s) tegen de schaamstreek en/of tegen de vagina en/of
schaamlippen van voornoemde [slachtoffer 1] heeft gebracht en/of
- voornoemde [slachtoffer 1] een tongzoen gegeven en/of
- voornoemde [slachtoffer 1] toegestaan om hem, verdachte, een tongzoen te geven;
(artikel 249 van Pro het Wetboek van Strafrecht)
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Vrijspraak.
De rechtbank acht met de officier van justitie en de verdediging niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 1 primair en onder feit 2 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Bewijs1
Inleiding.
Op 21 januari 2012 heeft [slachtoffer 1] tegen een begeleidster van de scouting verteld dat zij seksueel misbruikt zou worden door haar stiefvader (verdachte). Dit zou al 2 jaar lang plaatsvinden.2
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 subsidiair en onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde.
Het standpunt van de verdediging.
Van de zijde van de verdediging is integrale vrijspraak bepleit omdat niet is voldaan aan de bewijsminima. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat de verklaringen van [slachtoffer 1] onbetrouwbaar zijn en derhalve niet bruikbaar voor het bewijs. De verdediging meent voorts dat verdachte slechts ter terechtzitting van 25 juli 2012 een juiste verklaring heeft afgelegd. Verdachte ontkent hetgeen hem voor het overige ten laste is gelegd.
Het oordeel van de rechtbank.
Verdachte is de stiefvader van [slachtoffer 1], geboren op [1999].3 Verdachte is in 2005 met de moeder van [slachtoffer 1] getrouwd. Zij woonden toen in [gemeente 1]. In 2010 is het gezin naar [gemeente 2] verhuisd. 4 Verdachte heeft [slachtoffer 1] in 2009 geadopteerd.5
[slachtoffer 1] (ook wel genoemd [naam]) heeft verklaard dat haar vader soms op plekken aan haar zit waar zij dat niet fijn vindt. Dit duurt al twee jaar en vindt ongeveer, één, twee of drie keer per maand plaats.
Volgens [slachtoffer 1] heeft verdachte haar, telkens terwijl haar moeder boven was, op de bank in de woonkamer onder haar kleding aan haar borsten en vagina betast. Ook moest zij van verdachte wel eens zijn penis vasthouden. Voorts heeft verdachte haar een keer een tongzoen gegeven toen zij acht of negen jaar oud was.6
Verdachte heeft erkend dat hij op de bank de rug van [slachtoffer 1] heeft gemasseerd, haar chakra rond haar navel heeft dichtgedraaid en hierbij haar borsten en vagina heeft aangeraakt, maar betwist de seksuele strekking of het ontuchtige karakter daarvan. Verdachte stelt deze handelingen te hebben verricht omdat [slachtoffer 1] klaagde over buikkrampen.7 Voorts heeft verdachte verklaard dat het jaren geleden heel onschuldig is begonnen en dat in de vorm van masseren sommige dingen uit de hand zijn gelopen.8 Verdachte is [slachtoffer 1] met olie gaan masseren op het moment dat haar moeder en de andere kinderen al in bed lagen. Verdachte heeft haar in de liezen gemasseerd zonder olie omdat je in de schaamstreek niet met olie moet komen. Hij voelde met zijn vingers over de schaamlippen tegen de vagina aan. Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat het fout was. Hij heeft tevens verklaard dat het drie keer is gebeurd dat [naam] zijn penis heeft vastgepakt. Verdachte heeft [naam] een keer een tongzoen gegeven omdat [naam] dit wilde.9
De verdediging heeft de betrouwbaarheid van de verklaringen van zowel verdachte als [slachtoffer 1] in twijfel getrokken. De verdediging stelt dat verdachte telkenmale ten tijde van verhoor in een zeer emotionele gemoedstoestand zou hebben verkeerd en onder druk wisselende verklaringen heeft afgelegd. Verdachte zou herinneringen hebben aan seksueel misbruik van zichzelf dat in zijn jeugd heeft plaatsgevonden. Op grond hiervan zou verdachte meer hebben verklaard dan er daadwerkelijk tussen hem en [slachtoffer 1] is voorgevallen. De verklaringen van [slachtoffer 1] acht de verdediging onbetrouwbaar omdat deze aanwijsbare tegenstrijdigheden bevatten. Ook de dyscalculiestoornis waaraan [slachtoffer 1] lijdt zou, aldus de verdediging, reden voor twijfels kunnen zijn aan het tijdsbesef van [slachtoffer 1].
Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] en verdachte heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.
Zowel verdachte als [slachtoffer 1] hebben wisselende verklaringen afgelegd.
Echter hebben zij grotendeels gelijkluidend verklaard over de handelingen die verdachte zou hebben verricht, zoals hiervoor omschreven. Zij hebben beiden immers verklaard dat het betasten enkele jaren geleden is begonnen en dat dit in de woonkamer op de bank plaatsvond als de moeder van [slachtoffer 1] boven was. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte hierbij een "stoffen pyjamabroek" droeg.10 Verdachte heeft verklaard dat hij hierbij een "huispak" droeg.11
De rechtbank ziet, evenals de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (hierna: LEBZ) geen reden om aan te nemen dat [slachtoffer 1] leugenachtig of moedwillig onjuist heeft verklaard. Evenmin is gebleken dat de bekentenis die verdachte bij de politie heeft afgelegd door psychologische druk of suggestieve vraagstelling tot stand is gekomen.12 Verdachte heeft tevens bij de rechter-commissaris en in raadkamer een bekennende verklaring afgelegd en hierbij aangegeven dat hij graag geholpen wil worden.13 Deze bekennende verklaring heeft hij in de kern nog gehandhaafd op de pro forma zitting van 1 mei 2012, derhalve ruim 3 maanden na zijn eerste bekennende verklaring bij de politie.
Gelet hierop acht de rechtbank de verklaringen van [slachtoffer 1] en verdachte die de rechtbank tot het bewijs bezigt, niet onbetrouwbaar. De rechtbank gaat derhalve uit van de juistheid daarvan.
De rechtbank heeft het rapport van het LEBZ d.d. 28 januari 2013 niet tot het bewijs gebezigd zodat het verweer van de verdediging dat hierop betrekking heeft, geen bespreking behoeft.
De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan seksuele handelingen die sociaal-ethisch niet aanvaardbaar zijn en derhalve een ontuchtig karakter hebben. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte ontucht heeft gepleegd met zijn adoptiefdochter in de periode zoals hierna onder de bewezenverklaring is vermeld.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
1.
meermalen, in de periode van 1 januari 2010 tot en met 15 februari 2011 te Geldrop en/of Eindhoven telkens ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarige dochter, [slachtoffer 1], geboren op [1999], bestaande die ontucht hierin dat hij, verdachte
- de (onder)kleding van voornoemde [slachtoffer 1] heeft verschoven en
- de borsten en vagina en schaamstreek en schaamlippen van voornoemde [slachtoffer 1] heeft betast en
- zijn, verdachtes penis heeft laten betasten door voornoemde [slachtoffer 1] en
- voornoemde [slachtoffer 1] een tongzoen heeft gegeven.
2.
meermalen, in de periode van 16 februari 2011 tot en met 21 februari 2012 te Eindhoven telkens ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarige dochter, [slachtoffer 1], geboren op [1999], bestaande die ontucht hierin dat hij, verdachte
- de (onder)kleding van voornoemde [slachtoffer 1] heeft verschoven en
- de borsten en vagina en schaamstreek en schaamlippen van voornoemde [slachtoffer 1] heeft betast en
- zijn, verdachtes penis heeft laten betasten door voornoemde [slachtoffer 1].
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en/of maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft een gevangenisstraf voor de duur van 386 dagen waarvan 200 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar gevorderd met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht en ambulante behandeling bij forensisch psychiatrische kliniek "de Omslag" te Eindhoven of een soortgelijke instelling.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
Van de zijde van de verdediging is primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair is door de verdediging verzocht om een straf gelijk aan het voorarrest op te leggen. De verdediging meent dat er geen noodzaak is tot opleggen van de bijzondere voorwaarden zoals gesteld door de reclassering, aangezien deze niet worden onderschreven door de gedragsdeskundigen.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Bij de strafoplegging zal de rechtbank in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen in het nadeel van verdachte.
Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen bij [slachtoffer 1]. Verdachte heeft aldus het door haar in hem - haar adoptiefvader - gestelde vertrouwen op grove wijze beschaamd en een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer 1], die vanwege haar leeftijd en haar relatie tot de verdachte in een kwetsbare positie verkeerde en niet in afdoende mate in staat was om aan het handelen van de verdachte weerstand te bieden. Deze gedragingen kunnen, naar de ervaring leert, voor de slachtoffers ernstige psychische gevolgen hebben. Bij het handelen als bewezen verklaard kan verdachte slechts het oog hebben gehad op bevrediging van zijn eigen lustgevoelens, waarbij hij zich in het geheel niet heeft bekommerd om de schade die hij daarbij zou kunnen aanrichten bij zijn minderjarige adoptiefdochter, die mede aan zijn dagelijkse zorg als adoptiefvader, was toevertrouwd. De rechtbank neemt het verdachte daarbij kwalijk dat verdachte door zijn proceshouding zijn verantwoordelijkheid niet neemt en het slachtoffer in een onmogelijke positie plaatst.
De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.
De rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Aan deze voorwaardelijke straf zal reclasseringsbegeleiding worden gekoppeld. Op deze manier kan in een justitieel kader nog enige tijd zicht worden gehouden op het handelen van verdachte.
De rechtbank ziet geen meerwaarde in het opleggen van een ambulante behandeling bij een forensische psychiatrische kliniek, omdat zij van oordeel is dat verdachte en zijn gezin reeds afdoende worden begeleid door overige instanties.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 57 en 249 van het Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 1 primair en onder feit 2 primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart het onder feit 1 subsidiair en onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
T.a.v. feit 1 subsidiair:
ontucht plegen met zijn minderjarig kind, meermalen gepleegd.
T.a.v. feit 2 subsidiair:
ontucht plegen met zijn minderjarig kind, meermalen gepleegd.
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de volgende straf(fen) en/of maatregel(en).
BESLISSING:
T.a.v. feit 1 primair, feit 2 primair:
Vrijspraak
T.a.v. feit 1 subsidiair, feit 2 subsidiair:
Gevangenisstraf voor de duur van 386 met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van
Strafrecht waarvan 200 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren
Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde
- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit
en
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.
Stelt als bijzondere voorwaarde:
Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door de reclassering, waarbij de Reclassering Nederland, Regio 's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te 's-Hertogenbosch, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met
ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 26 juli 2012 reeds geschorst.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.J.W. Hermans, voorzitter,
mr. H.A. van Gameren en mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, leden,
in tegenwoordigheid van mr. A.J.H.L. Coppens, griffier,
en is uitgesproken op 1 mei 2013.
1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Brabant Zuid-Oost, genummerd PL2233 2012011079.
2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 januari 2012, pag. 21.
3 Akte van geboorte van [slachtoffer 1] d.d. 18 februari 1999.
4 Verklaring van [persoon 1] d.d. 23 januari 2012, pag 32-33
5 Latere vermelding betreffende adoptie d.d. 29 april 2009.
6 Verbatim studioverhoor van [slachtoffer 1] d.d. 24 januari 2012, proces-verbaal pag. 61, 65, 66, 67, 70, 90, 91, 102,107, 108, 144, 145.
7 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 25 juli 2012.
8 Verklaring van verdachte d.d. 24 januari 2012, proces-verbaal pag. 183
9 Verklaring van verdachte d.d. 02 februari 2012, proces-verbaal pag. 189, 190,191,192, 193.
10 Verbatim studioverhoor van [slachtoffer 1] d.d. 24 januari 2012, proces-verbaal pag. 110.
11 Verklaring van verdachte d.d. 02 februari 2012, proces-verbaal pag. 192.
12 Rapport van de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (LEBZ-nr Den Bosch/ 623/ CB d.d. 16 juli 2012
13 Verklaring van verdachte afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 25 januari 2012 en verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 08 februari 2012.