Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 13 maart 2014 in de zaak tussen
[bedrijf 1],te Asten, (gemachtigde: mr. P.J.G. Goumans).
Procesverloop
Overwegingen
Op grond van artikel 1 van Pro de planvoorschriften wordt onder nevenactiviteit het volgende verstaan: een bedrijfs- of beroepsmatige activiteit die in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend opzicht duidelijk ondergeschikt is aan de op de ingevolge dit bestemmingsplan toegestane hoofdfunctie op een bouwperceel of bouwblok;
Ingevolge artikel 4.1 van de planvoorschriften zijn de voor “agrarisch - landschappelijke waarden” aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf en nevenactiviteiten (voor zover in 4.2. of via ontheffing kan worden toegestaan).
Ingevolge artikel 4.2.12 van de planvoorschriften worden mestbewerking en mestbewerking en - vergisting van eigen producten als bij het agrarisch bedrijf behorend nevenactiviteit aangemerkt, en toegestaan tot een hoeveelheid van 25.000 ton mest. Indien en voor zover het producten van derden betreft, is een dergelijke voorziening uitsluitend toegestaan na ontheffing.
- Heeft verweerder bij het stellen van de vergunningsvoorschriften met betrekking tot de geurbelasting vanwege de mestbewerking installatie aansluiting kunnen zoeken bij de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant?
- Is door middel van de vergunningsvoorschriften voldoende gewaarborgd dat geen onaanvaardbare geurhinder op de woning van eisers kan ontstaan vanwege de mestbewerking installatie?
De StAB merkt voorts op dat uit in het geuronderzoek bij de aanvraag een hedonisch gewogen geurconcentratie van 0,3 OU(H)/m3 is berekend en dat in voorschrift 19.4.2 een geurconcentratie van 0,5 OU(H)/m3 is vergund. Daarom is volgens de StAB meer vergund dan is aangevraagd zonder een noodzaak. Verder merkt de StAB op dat in de voorschriften niet is vastgelegd voor welke objecten de normen gelden en dat de immissieconcentratie afkomstig is van de mestbewerkingsinstallatie. De StAB mist een voorschrift met betrekking tot het voorkomen van diffuse emissies vanuit de machineloods en acht de overige middelvoorschriften toereikend genoeg om geurhinder te voorkomen. De StAB merkt tot slot op dat geen voorschriften in de vergunning zijn gesteld over de behandeling en bewaring van drijfmest.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover betreft voorschriften 19.4.2, 19.4.3 en 19.4.5;