Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
1.Het verloop van het geding
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
In dit verband is van belang het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) van 16 maart 2006 met betrekking tot de uitleg van artikel 7 van Pro richtlijn 93/104/EG (deze richtlijn is vervangen door richtlijn 2003/88/EG) van welke bepaling lid 1 - evenals artikel 7:639 lid 1 BW Pro - ziet op het recht op vakantie met behoud van loon en lid 2 - evenals artikel 7:640 lid 1 BW Pro - op het verbod op vervanging van vakantie door een financiële vergoeding, behalve bij beëindiging van het dienstverband. De kantonrechter is van oordeel dat de artikelen 7:639 lid 1 en 7:640 lid 1 BW richtlijnconform moeten worden uitgelegd. In voornoemd arrest van 16 maart 2006 heeft het Hof onder meer overwogen:
“59. Onverminderd gunstiger bepalingen in de zin van artikel 15 van Pro de richtlijn, dient derhalve het moment waarop de betaling van het loon voor jaarlijkse vakantie moet plaatsvinden, zo te worden vastgelegd dat de werknemer tijdens deze vakantie in een situatie wordt geplaatst die qua beloning vergelijkbaar is met de situatie tijdens gewerkte periodes.
5.De beslissing
24 april 2014, 10.30 uurvoor akte uitlating aan de zijde van [werkneemster] en aan de zijde van [werkgever] zoals bedoeld in overweging 4.11. van dit vonnis;