Eiseres kreeg toevoegingen voor rechtsbijstand bij een geschil over onrechtmatige daad. Na een resultaatbeoordeling trok verweerder de toevoegingen met terugwerkende kracht in en vorderde het betaalde bedrag van € 2.082,51 terug. Eiseres maakte bezwaar en stelde dat er zwaarwegende omstandigheden waren die invordering moesten verhinderen, zoals haar slechte financiële positie en het feit dat zij niets van haar debiteuren had ontvangen.
De rechtbank oordeelde dat de intrekkingsbesluiten onherroepelijk waren omdat er geen bezwaar tegen was gemaakt. Over de invordering stelde de rechtbank vast dat de werkinstructie waarop verweerder zich baseerde onduidelijk en inconsequent was, met name over de betekenis van een langdurig incassotraject en de gevolgen van het ontvangen bedrag van de debiteur. Deze onduidelijkheid mocht niet ten nadele van eiseres worden uitgelegd.
Daarom vernietigde de rechtbank het bestreden besluit en herroept het primaire besluit tot invordering. De rechtbank besloot zelf in de zaak te voorzien, verklaarde het beroep gegrond, en bepaalde dat verweerder het betaalde griffierecht aan eiseres moet vergoeden en in de proceskosten moet worden veroordeeld.