ECLI:NL:RBOBR:2014:1771

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
10 april 2014
Publicatiedatum
10 april 2014
Zaaknummer
275990 - EX RK 14-107
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37 lid 1 RvArt. 39 lid 4 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek rechter wegens gebrek aan vooringenomenheid en misbruik van wrakingsmiddel

Verzoekster heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter die betrokken was bij twee civiele procedures. Zij stelde dat de rechter vooringenomen was omdat hij haar niet als (soeverein) mens wilde erkennen en omdat hij opdracht gaf tot extra fouillering van haar en haar adviseur, maar niet van een medewerker van Bureau Jeugdzorg.

De rechtbank heeft het wrakingsverzoek inhoudelijk onderzocht en geoordeeld dat het niet tijdig was ingediend wat betreft de fouillering en dat het erkennen als (soeverein) mens geen vereiste is voor behandeling van een zaak. Er waren geen aanwijzingen voor vooringenomenheid van de rechter. Bovendien was dit het tweede wrakingsverzoek van verzoekster tegen dezelfde rechter, wat de rechtbank als misbruik van het wrakingsmiddel beoordeelde.

De rechtbank verklaarde verzoekster niet-ontvankelijk voor het te late onderdeel en wees het overige wrakingsverzoek af. Tevens bepaalde zij dat toekomstige wrakingsverzoeken van verzoekster op dezelfde gronden niet in behandeling worden genomen.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt afgewezen en toekomstige verzoeken op dezelfde gronden worden niet in behandeling genomen wegens misbruik van het wrakingsmiddel.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANKOOST-BRABANT
Wrakingskamer
Zaaknummer / rekestnummer : 275990 / EX RK 14-107
Beschikking van 10 april 2014
in de zaak van
[verzoekster]
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
verzoekster,
tegen
mr. O.T. Brouwer,
in zijn hoedanigheid van rechter in de rechtbank Oost-Brabant bij de behandeling van de zaken met nummers: C/01/253827 / FA RK 12-5409 en 266768 / FA RK 13-4226,
verweerder.
Partijen zullen hierna respectievelijk verzoekster en de rechter worden genoemd.

1.Procesverloop

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
  • het proces-verbaal van de terechtzitting in de hoofdzaken van 4 maart 2014 met daarin opgenomen het voorliggende wrakingsverzoek;
  • de schriftelijke reactie van de rechter op het wrakingsverzoek van 5 maart 2014;
  • de brief van 4 maart 2014 van verzoekster;
  • de brief van de raadsman van de wederpartij van verzoekster van 17 maart 2014;
  • de brief van 27 maart 2014 van verzoekster;
  • de aanvullende schriftelijke reactie van de rechter van 2 april 2014;
  • de dossiers in de hoofdzaken, met daarin onder andere opgenomen een afschrift van de beslissing op een eerder wrakingsverzoek van verzoekster.
1.2.
De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft plaatsgevonden op de besloten zitting van 3 april 2014.
Verzoekster is niet verschenen.
In zijn schriftelijke reactie heeft de rechter zijn standpunt ten aanzien van het wrakingsverzoek naar voren gebracht en aangegeven niet in de wraking te berusten.
Tevens heeft hij aangegeven niet ter zitting aanwezig te zullen zijn. De wederpartij is, zoals al aangekondigd, niet verschenen.
De heer[naam], werkzaam bij Bureau Jeugdzorg, is ter zitting verschenen.

2.Het verzoek en het verweer

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de procedures met zaaknummers C/01/253827 / FA RK 12-5409 en 266768 / FA RK 13-4226.
2.2.
Verzoekster betoogt dat de rechter blijk heeft gegeven van vooringenomenheid.
Volgens het proces-verbaal en de brief van 4 maart 2014 is daaraan ten grondslag gelegd dat de rechter haar tijdens de zitting van 4 maart 2014 niet heeft willen erkennen als (soeverein) mens van vlees en bloed. Hij bleef verzoekster als natuurlijk persoon aanspreken. Zolang de rechter verzoekster niet als mens wil erkennen en haar niet ziet als een mens, kan de behandeling van de zaak door hem niet worden voortgezet, aldus verzoekster.
Bij brief van 27 maart 2014 heeft verzoekster nog op het volgende gewezen. Toen zij en haar adviseur voor aanvang van de zitting van 4 maart 2014 in de hal van het gerechtsgebouw aan het wachten waren, werd hen door twee agenten op dwingende en intimiderende toon medegedeeld dat zij extra gefouilleerd moesten worden in opdracht van de rechter. Uit het feit dat de rechter opdracht heeft gegeven om slechts verzoekster en haar adviseur, en niet de aanwezige medewerker van Bureau Jeugdzorg, extra te laten fouilleren, blijkt dat de rechter vooringenomen is.
2.3.
De rechter heeft aangegeven niet in de wraking te berusten. Hij heeft het volgende naar voren gebracht. De rechter is op 2 december 2013 ook al gewraakt door verzoekster. De wrakingsgrond was toen, kort samengevat, dat de rechter haar op haar verzoek niet had toegestaan om de behandeling van de zaken vast te leggen op beeld en geluid. De wrakingskamer heeft het verzoek afgewezen. Met het indienen van het eerdere wrakingsverzoek in onderling verband en samenhang met het onderhavige verzoek beschouwd, kan gesproken worden van misbruik van het middel wraking, aldus de rechter.

3.De beoordeling

Ten aanzien van de kennelijke wrakingsgrond zoals opgenomen in de brief van 27 maart 2014

3.1.
Het wrakingsverzoek dient ingevolge artikel 37 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te worden gedaan zodra de feiten en omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.
3.2.
De beslissing van de rechter om verzoekster en haar adviseur, en niet de medewerker van Bureau Jeugdzorg, extra te laten fouilleren is verzoekster op 4 maart 2014, voorafgaand aan de zitting van die dag, bekend geworden. Verzoekster had deze grond dan ook ter zitting van 4 maart 2014 of uiterlijk bij haar brief van dezelfde datum kunnen aanvoeren. Dit heeft zij niet gedaan. Verzoekster heeft deze grond pas bij brief van 27 maart 2014, dus te laat, aangevoerd. Dat betekent dat zij niet ontvankelijk is in dat onderdeel van het wrakingsverzoek. Aldus zal worden beslist.
Ten aanzien van de wrakingsgrond zoals deze blijkt uit het proces-verbaal van de zitting van 4 maart 2014 en uit de aanvulling daarop bij brief van 4 maart 2014
3.3.
De rechtbank stelt voorop dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter met betrekking tot een procespartij vooringenomen is, althans dat de dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
3.4.
Het erkennen van verzoekster als (soeverein) mens door een behandelend rechter is geen voorwaarde voor behandeling van een rechtszaak door die rechter. Verzoekster heeft die erkenning in het onderhavige geval dan ook ten onrechte als voorwaarde gesteld voor voortzetting van de behandeling. De rechtbank heeft geen enkele reden om aan te nemen dat de weigering van de rechter om verzoekster te erkennen als (soeverein) mens in verband te brengen is met enige vooringenomenheid van de rechter jegens verzoekster.
3.5. Het wrakingsverzoek zal daarom worden afgewezen.
Toekomstige verzoeken tot wraking
3.6.
Gelet op het feit dat verzoekster de rechter thans reeds tweemaal ten onrechte heeft gewraakt en met inachtneming van de aard van de verzoeken, is de rechtbank van oordeel dat verzoekster zich klaarblijkelijk schuldig maakt aan misbruik van het middel wraking. Om die reden zal de rechtbank ingevolge artikel 39 lid 4 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepalen dat een volgend wrakingsverzoek van verzoekster in de beide hoofdzaken dat is gebaseerd op eerder aangevoerde gronden tot wraking of gronden die daarmee samenhangen niet in behandeling zal worden genomen.

4.De beslissing

De rechtbank,
verklaart verzoekster niet-ontvankelijk voor wat betreft de kennelijke wrakingsgrond zoals aangevoerd in de brief van 27 maart 2014;
wijst het verzoek tot wraking, voor wat betreft de wrakingsgrond zoals deze blijkt uit het proces-verbaal van de zitting van 4 maart en uit de aanvulling daarop bij brief van 4 maart 2014, van mr. O.T. Brouwer af;
bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoekster dat is gebaseerd op eerder aangevoerde gronden tot wraking of gronden die daarmee samenhangen in de procedure(s) met zaaknummers C/01/253827 / FA RK 12-5409 en 266768 / FA RK 13-4226 niet in behandeling wordt genomen.
Deze beschikking is gegeven door mr. I.L.A. Boer, voorzitter, mr. G.J. Roeterdink en
mr. E.C.M. de Klerk, leden, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.